De onderneming vroeg subsidie aan op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) vanwege sterk gestegen energieprijzen. De minister verleende een voorschot van €160.000,- en stelde later de subsidie definitief vast op €12.335,29, waarna het te veel betaalde voorschot werd teruggevorderd. De onderneming maakte bezwaar tegen deze vaststelling en terugvordering, waarna het beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven werd ingesteld.
De onderneming voerde aan dat de uitsluiting van stadswarmte van de subsidie onrechtmatig was en dat de berekening met modelprijzen over 2023 onredelijke uitkomsten gaf, omdat de werkelijke energiekosten hoger waren. Het College oordeelde dat de gronden over de uitsluiting van stadswarmte niet opnieuw aan de orde konden komen in deze procedure over de vaststelling. Wel stelde het College vast dat de minister een onjuiste wettelijke grondslag had gebruikt voor de vaststelling, namelijk artikel 4:46, tweede lid, van de Awb in plaats van het eerste lid.
Desondanks werd geoordeeld dat de berekening van de subsidie correct was uitgevoerd volgens de TEK en dat de terugvordering van het voorschot niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming had onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd om van de vaststelling af te wijken. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand.