ECLI:NL:CBB:2026:122

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
24/3
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82b Wp 2000Art. 82c Wp 2000Art. 5:32 AwbArt. 2.3 Taxiverordening Amsterdam 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Invordering verbeurde dwangsom wegens aanbieden taxivervoer zonder vergunning op Amsterdamse opstapmarkt

De chauffeur bood op 19 januari 2023 taxivervoer aan op de Amsterdamse opstapmarkt zonder over een geldige taxivergunning te beschikken. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde hem eerder een last onder dwangsom op, die bij overtreding verbeurde. Na constatering van de overtreding door een toezichthouder werd een dwangsom van € 5.550,- opgelegd en ingevorderd.

De chauffeur stelde dat hij geen taxivervoer had aangeboden maar via de belmarkt actief was en een rit via Taxi Direct had ontvangen. Het College oordeelde dat het rapport van bevindingen, op ambtsbelofte opgesteld, overtuigend was en dat de chauffeur zijn stellingen niet met objectief bewijs kon onderbouwen. De verklaring van de passagiers en het telefoonnummer ondersteunden het oordeel dat er sprake was van illegaal taxivervoer.

Het verzoek van de chauffeur om een nieuwe zitting wegens ziekte werd afgewezen omdat dit in zijn eigen risicosfeer lag. Het College benadrukte het belang van effectieve handhaving en oordeelde dat het college van b en w terecht de dwangsom invorderde. Het beroep werd ongegrond verklaard en de invordering bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van de chauffeur wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/3

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (de chauffeur)

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)

(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)

Procesverloop

Met het besluit van 25 april 2023 (invorderingsbesluit) heeft college van b en w medegedeeld dat de chauffeur niet heeft voldaan aan een aan hem opgelegde last onder dwangsom en dat college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 19 juli 2023 (bestreden besluit) heeft college van b en w het bezwaar van de chauffeur ongegrond verklaard.
De chauffeur heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 maart 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van het college van b en w deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding
1.1
De chauffeur beschikt niet over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).
1.2
Het college van b en w heeft op 24 januari 2020 aan de chauffeur een last onder dwangsom opgelegd voor elke keer dat hij taxivervoer aanbiedt op de Amsterdamse opstapmarkt zonder vergunning (dwangsombesluit). De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 5.500,00 per overtreding, met een maximum van € 27.750,00. Met de beslissing op bezwaar van 19 juni 2020 is dit dwangsombesluit gehandhaafd. Met de uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:593, heeft het College het hiertegen ingediende beroep ongegrond verklaard, zodat de last onder dwangsom in rechte is vast komen te staan.
1.3
Op 19 januari 2023 heeft een toezichthouder geconstateerd dat de chauffeur taxivervoer aanbood zonder vergunning. De toezichthouder heeft een rapport van bevindingen opgemaakt waarin het volgende is vermeld:
“Ik, toezichthouder [naam 2] bevond mij op donderdag 19 januari 2023, omstreeks 22:57 uur, in uniform gekleed op de openbare weg, [adres] te Amsterdam.
Ik, toezichthouder, zag daar een taxi, voorzien van het kenteken [kenteken] , merk Volkswagen en kleur wit. Het taxivoertuig voerde geen kenmerken van een Toegelaten Taxi Organisatie, hierna genoemd TTO van de gemeente Amsterdam.
Ik, toezichthouder, zag dat op de hiervoor genoemde locatie, datum en tijdstip de hieronder genoemde chauffeur heeft gehandeld in strijd met artikel 2.3, eerste lid van de Taxiverordening Amsterdam 2012 laatstelijk gewijzigd in 2018.
[…]
Ik, toezichthouder, [naam 2] zag dat de voornoemde chauffeur zijn taxivoertuig stilhield. Ik zag dat een man en een vrouw in het taxivoertuig stapte. Op het moment dat de klanten waren ingestapt heb ik de chauffeur staande gehouden om de illegale opstapmarkt te controleren. Ik vroeg de chauffeur hoe komt u aan de klanten? Ik hoorde dat de chauffeur mij hierop antwoordde: "Ik heb ze via bel werk verkregen." Ik zag dat de chauffeur mij op het telefoonscherm van zijn telefoon een gebeld telefoon gesprek liet zien, waarbij er om 22:57 het laatst gevoerde te zien was. Ik scrolde in de belgeschiedenis van het telefoonnummer en zag dat de chauffeur meer dan 10 gesprekken had gevoerd met dit telefoonnummer.
Ter verificatie heb ik de klanten gevraagd hoe zij aan de taxi kwamen. Ik hoorde dat de vrouwelijke klant zei dat zie hun hand hadden opgestoken en dat de chauffeur was getopt en dat zij mochten instappen. De klanten ontkende het verhaal dat zij telefonisch contact hebben gehad met de chauffeur. De klanten wilde graag het taxivoertuig verlaten omdat zij zich niet veilig voelde.”
1.4
Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w bij brief van 3 februari 2023 aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,00 en dat hij dit bedrag moet betalen voor 2 maart 2023.
1.5
Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het besluit van 25 april 2023 ingevorderd. Met het bestreden besluit heeft het college van b en w het bezwaar ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit gehandhaafd.
Standpunt partijen
2.1
De chauffeur stelt zich op het standpunt dat hij op 19 januari 2023 geen taxivervoer heeft aangeboden maar via de belmarkt actief was. Hij had een rit aangeboden gekregen via Taxi Direct.
2.2
Het college van b en w voert aan dat de chauffeur op 19 januari 2023 omstreeks 22:57 uur opnieuw taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt en dat daarom de dwangsom is verbeurd. Hij heeft op het [adres] klanten in laten stappen. Het door de chauffeur gebelde nummer bleek van een vriend te zijn en niet van de zoon van de klanten zoals de chauffeur had verklaard. Het college van b en w mag uitgaan van het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van bevindingen.
Wettelijk kader
3.1
De Taxiverordening vindt haar wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000). Op grond van artikel 82c van de Wp 2000, in samenhang gelezen met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het college van b en w van een last onder dwangsom.
3.2
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het verboden om zonder geldige Taxxxivergunning op de in bijlage 1 van de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden, waaronder het gebied binnen de ring A10 van Amsterdam.
Beoordeling door het College
4 Na de zitting heeft de chauffeur verzocht om een nieuwe zitting omdat hij zich had verslapen door ernstige pijn- en rugklachten na een auto-ongeluk in september vorig jaar en daardoor niet bij de zitting aanwezig kon zijn. Het College wijst dit verzoek af omdat dit in de eigen risicosfeer van de chauffeur ligt. Ook al is dit een vervelende situatie voor de chauffeur, dat neemt niet weg dat hij ook maatregelen had kunnen treffen om dit te voorkomen. Daarbij betrekt het College dat het ongeluk al enige tijd geleden is.
5 Het gaat in deze zaak om de invordering van de aan de chauffeur opgelegde dwangsom, die is verbeurd na de constatering dat hij op 19 januari 2023 in strijd met de aan hem opgelegde last artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden. Op grond van die bepaling is het een chauffeur verboden om zonder Taxxxivergunning op de in bijlage I aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.
6.1
Het is vaste rechtspraak van het College (zie onder meer de uitspraak van 10 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:140) wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat er dan van mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt. Het College gaat daarbij ervan uit dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs werkzaam in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.
6.2
Verder geldt dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
6.3
Het rapport van bevindingen is door twee toezichthouders van de gemeente Amsterdam op ambtsbelofte opgemaakt. Het College ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het rapport. De stelling van de chauffeur dat hij een rit via Taxi Direct heeft gekregen, heeft hij niet kunnen onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. De schermafbeelding van Taxi Direct ziet op een bestelde rit op 19 februari 2023 voor drie personen terwijl de bevindingen betrekking hebben op 19 januari 2023 toen twee personen instapten in de taxi. De twee personen in zijn taxi op 19 januari 2023 hebben zelf verklaard dat zij in de taxi waren gestapt nadat deze was gestopt toen zij hun hand opstaken. Het nummer horende bij de, volgens de chauffeur, (zoon van) de klanten was niet van een klant maar van een kennis van de chauffeur die later heeft verklaard geen taxirit besteld te hebben bij de chauffeur. Het College is dan ook van oordeel dat de chauffeur taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt zonder te beschikken over de daarvoor vereiste taxivergunning. Daarmee heeft hij de opgelegde last onder dwangsom overtreden en is de dwangsom verbeurd.
7 Bij een besluit over het invorderen van een verbeurde dwangsom weegt het belang van de invordering zwaar. Als dat anders zou zijn, zou het opleggen van een dwangsom niet bijdragen aan een effectieve handhaving. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet gesteld of gebleken. Het college van b en w heeft gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid om de dwangsom in te vorderen. Bij het feitelijk incasseren van de dwangsom kan rekening worden gehouden met de draagkracht van degene die moet betalen, bijvoorbeeld met een betalingsregeling.
Slotsom
8 Het beroep is ongegrond. De invordering blijft in stand. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. C.S. de Waal