De ondernemer, directeur van een beheermaatschappij en bestuurder van een varkensfokbedrijf, kreeg een last onder dwangsom opgelegd wegens meerdere overtredingen van het Besluit houders van dieren, waaronder het individueel houden van zeugen en gelten, onvoldoende vloeroppervlakte en strooisel voor beren, en gebrek aan nestmateriaal voor varkens. Na bezwaar wijzigde de minister de last onder dwangsom, waarbij de last alleen gericht bleef op het voorkomen van herhaling en de maximale dwangsommen werden verlaagd.
De ondernemer stelde beroep in tegen het bestreden besluit, maar het College oordeelde dat de last inmiddels was uitgewerkt en dat de ondernemer geen dwangsommen had verbeurd. Hierdoor ontbrak het procesbelang voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De door de ondernemer aangevoerde redenen, zoals mogelijke gevolgen voor toekomstige Bibob-beoordelingen en vergoeding van proceskosten, werden door het College niet als voldoende procesbelang erkend.
Het College stelde vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep met ongeveer zes maanden was overschreden, wat recht gaf op een immateriële schadevergoeding van € 500,-. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van de ondernemer voor het verzoek om schadevergoeding. Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard.