Uitspraak
(gemachtigde: mr. W.J.Th. Bustin)
[naam 2] en [naam 3] , en namens de minister [naam 4] , [naam 5] en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De maatschap werd door de minister beboet met een boete van €5.000 wegens het niet in acht nemen van de voorgeschreven wachttijd voor het in de handel brengen van een rund dat behandeld was met een diergeneesmiddel. De rechtbank Rotterdam matigde deze boete tot €2.500 vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder een eenmalige vergissing bij het invullen van het VKI-formulier en het ontbreken van opzet.
Zowel de maatschap als de minister gingen in hoger beroep tegen deze matiging. De maatschap vond de boete ondanks de matiging nog te hoog, terwijl de minister vond dat de boete in stand had moeten blijven. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de rechtbank terecht de boete had gematigd op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb en dat de matiging passend was gezien de aard van de overtreding en de omstandigheden.
Het College benadrukte dat het boetestelsel weinig differentiatie kent en dat de maatschap aannemelijk had gemaakt dat er geen opzet was, maar een onoplettendheid. De risico's voor de volksgezondheid zijn echter reëel, waardoor een boete passend blijft. De uitspraak bevestigt de matiging tot €2.500 en wijst de beroepen af.
Uitkomst: Het College bevestigt de matiging van de bestuurlijke boete tot €2.500 wegens een eenmalige onoplettendheid bij het verkeerd vermelden van de wachttijd.