Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 op het hoger beroep van
[naam 1] , te [vestigingsplaats]
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheiden Natuur
Procesverloop in hoger beroep
Inleiding
Uitspraak van de rechtbank
Wettelijk kader
Beoordeling van het hoger beroep
Het bedrijf moet dus aantoonbaar zijn werkwijze onder controle hebben dat er géén verontreiniging van het vlees is.” Voor de vraag of sprake is van een overtreding van het voorschrift dat verontreiniging wordt voorkomen, is ook niet van belang dat de verontreiniging volgens de standaard werkwijze wordt weggesneden. Dit wegsnijden betreft punt 10 van Verordening 853/2004, waarin is voorgeschreven dat een verontreiniging van het karkas onmiddellijk moet worden verwijderd. Het boetebesluit is niet gebaseerd op een overtreding van dit voorschrift. Bovendien is op de zitting van de zijde van de minister uiteengezet dat de verontreiniging die door het afspoelen ontstaat, via de halswond dieper in het rund komt. Daardoor kan onzichtbare verontreiniging ontstaan, die zich niet beperkt tot het weg te snijden deel om de halswond heen. Die extra verontreiniging moet worden voorkomen. Het kan naar het oordeel van het College niet zo zijn dat in een gedeelte van het rund dat al (ten dele) is verontreinigd, extra verontreiniging zou zijn toegestaan. Die ruimte biedt punt 7 van Verordening 853/2004 niet. Integendeel. De hoger beroepsgrond slaagt dus niet.