Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:156

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
24/587
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek fosfaatrechten na afroming bij overdracht melkveehouderij

De vennootschap heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2021 waarbij de minister een afroming van 20% toepaste op de fosfaatrechten bij de overdracht van een melkveehouderij. Na afwijzing van het bezwaar en het herzieningsverzoek door de minister, stelde de vennootschap beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het College oordeelt dat het bezwaar te laat is ingediend en dat de minister terecht uitgaat van de formele rechtskracht van het besluit. Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die een herziening rechtvaardigen. Hoewel de minister erkent dat het besluit onjuist is, is het vasthouden aan het besluit niet evident onredelijk gezien de belangenafweging, waaronder het nalaten van tijdige rechtsmiddelen door de vennootschap en de gevolgen voor derden.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt de terughoudendheid bij herziening van besluiten zonder nieuwe feiten en benadrukt het belang van tijdige bezwaar- en beroepsprocedures.

Uitkomst: Het beroep van de vennootschap tegen het besluit van de minister om niet terug te komen op de afroming van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/587

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[naam 1] VOF, te [woonplaats] (vennootschap)

(gemachtigde: [naam 2] )
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur

(gemachtigden: mr. M. Leegsma en C. Zieleman)

Procesverloop

Met het besluit van 8 juli 2021 heeft de minister de voor de vennootschap geregistreerde fosfaatrechten bepaald (besluit geregistreerde fosfaatrechten). Op 9 oktober 2023 heeft de vennootschap de minister verzocht dat besluit te heroverwegen/herzien. Met het besluit van 13 maart 2024 (afwijzingsbesluit) heeft de minister het verzoek om terug te komen van het besluit van 8 juli 2021 afgewezen.
Met het besluit van 6 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
De vennootschap heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 3 maart 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen en [naam 2] aan de zijde van de vennootschap.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Op 28 april 2021 heeft de vennootschap bij de minister de overdracht van een melkveehouderij gemeld met de vennootschap als overnemende partij. De overdracht betreft alle percelen, fosfaatrechten, dierproductierechten en betalingsrechten.
1.2
Met het besluit 8 juli 2021 heeft de minister op de fosfaatrechten een afroming van 20% toegepast. Met haar brief van 9 oktober 2023 heeft de vennootschap bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2021 en tevens verzocht om terug te komen van dat besluit.
1.3
Volgens de vennootschap blijkt uit de uitspraak van het College van 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:88) dat bij de overdracht van de (gehele) melkveehouderij, inclusief de daarop rustende productierechten, ten onrechte de fosfaatrechten zijn afgeroomd. Haar bezwaar is verschoonbaar te laat, aangezien zij aanvankelijk heeft vertrouwd op de informatie van de minister dat de afroming terecht had plaats gevonden. Pas na de uitspraak van 28 februari 2023 werd haar duidelijk dat die informatie onjuist was. Door de afroming is 516 kg fosfaatrechten verloren gegaan en dat heeft blijvende gevolgen voor de omvang van de melkcapaciteit (en daardoor voor de financieringsmogelijkheden). De minister moet zorgen voor rechtsherstel. Door zijn louter formele benadering handhaaft de minister een onrechtmatige situatie.
1.4
De minister heeft de brief van 9 oktober 2023 opgevat als een herzieningsverzoek. Hij leest in die brief geen bezwaar en wijst het herzieningsverzoek af, omdat het besluit geregistreerde fosfaatrechten in rechte vaststaat. Nieuwe rechtspraak is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De afwijzing van het herzieningsverzoek is volgens de minister niet evident onredelijk.
Beoordeling door het College
Het bezwaar
2.1
De brief van 9 oktober 2023 heeft als onderwerp “bezwaar inzake afroming fosfaatrechten” en brengt helder tot uitdrukking dat de vennootschap het niet eens is met het besluit van 8 juli 2021 en gaat uitdrukkelijk en uitgebreid in op de verschoonbaarheid van de (te laat) ingediende bezwaren. Daarmee is de brief, anders dan de minister heeft aangenomen, (ook) een bezwaarschrift dat zich richt tegen het besluit van 8 juli 2021. Daarmee is het afwijzingsbesluit (tevens) de beslissing op het bezwaar en daartegen stond beroep (en geen bezwaar) open. In dit beroep zijn daarmee zowel het afwijzingsbesluit in zoverre daarin is beslist op dat bezwaar en het besluit van 6 juni 2024 (voor zover dat ziet op de afwijzing van het herzieningsverzoek) de bestreden besluiten.
2.2
Het op 9 oktober 2023 gemaakte bezwaar is, partijen zijn het daar ook over eens, te laat. De bezwaartermijn is met meer dan twee jaar overschreden. Als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn heeft de vennootschap niet meer aangevoerd dan dat de rechtspraak inmiddels uitwijst dat de afroming in het besluit van 8 juli 2021 niet juist is. Dat is onvoldoende om deze overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Op zich is de minister in zijn besluitvorming dus, zij het met een onjuiste redenering, met juistheid uitgegaan van de formele rechtskracht van het besluit van 8 juli 2021.
Het herzieningsverzoek
2.3
De minister is als regel bevoegd om een herzieningsverzoek inhoudelijk te behandelen, ook als aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. De minister kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft hij dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst het College of er inderdaad geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van het verzoek om herziening in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering om terug te komen van een eerder besluit naar het oordeel van het College evident onredelijk is (vergelijk de uitspraak van het College van 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:781).
2.4.1
Partijen zijn het er over eens dat nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hier ontbreken en daarmee spitst het geschil zich toe op de vraag of het vasthouden van de minister aan het besluit van 8 juli 2021 evident onredelijk is. Die vraag beantwoordt het College ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende.
2.4.2
De minister heeft (op de zitting) erkend dat het besluit van 8 juli 2021 onjuist is. Als een eerder besluit onmiskenbaar onjuist is, moet de minister een belangenafweging maken bij de beoordeling of de afwijzing van een verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106, en 12 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1422). Hierbij spelen mede factoren als het nadeel dat het besluit veroorzaakt, of sprake is van een duuraanspraak, of de betrokkene heeft nagelaten (tijdig) rechtsmiddelen tegen het besluit aan te wenden en welke gevolgen het ongedaan maken van het besluit voor de uitvoeringspraktijk en de belangen van derden heeft (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2178).
2.4.3
De vennootschap heeft nagelaten (tijdig) rechtsmiddelen aan te wenden tegen het besluit van 8 juli 2021. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat bij de overname het afromingspercentage redelijkerwijs bekend was en dat de vennootschap hiermee rekening heeft kunnen houden bij de bepaling van de koopprijs, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk is dat zij als kopende partij hierdoor financieel nadeel heeft geleden of dat haar eigendomsrechten zijn aangetast. Het College verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 8 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:234).
Conclusie
3 Het beroep is ongegrond.
4 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026
w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof