Appellante kreeg studiefinanciering in de vorm van een lening die zij vanaf 1 januari 2017 moest terugbetalen. De minister nam meerdere besluiten waarin werd uitgegaan van het bestaan van een partner, wat invloed had op de draagkrachtberekening en aflossingsduur.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd door de minister deels niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante zelf had gekozen om het inkomen van een partner niet mee te laten tellen en dat zij de besluiten had kunnen betwisten.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de brief van appellante van 1 december 2020 ook moet worden gezien als een verzoek om terug te komen van eerdere besluiten. De Raad stelt vast dat de besluiten onmiskenbaar onjuist zijn omdat zij uitgaan van een partner die feitelijk niet bestond.
De Raad weegt belangen en concludeert dat handhaving van deze besluiten evident onredelijk is, mede omdat appellante hierdoor onterecht een betalingsverplichting heeft gehad. De minister wordt veroordeeld om terug te komen van de besluiten en de proceskosten van appellante te vergoeden.