Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:162

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/880
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:44 AwbArt. 4:46 AwbArt. 4:47 AwbArt. 4:48 AwbArt. 4:95 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen ambtshalve vaststelling subsidie op nihil wegens financieringswijziging

De onderneming DC4U B.V. ontving een innovatiekrediet voor een biotechnologisch project, onder de voorwaarde dat een investeringsovereenkomst met Conchylium Investments Fund werd overlegd. De minister stelde de subsidie ambtshalve op nihil vast en vorderde onverschuldigde voorschotten terug, omdat de financiering niet werd verstrekt en het krediet deels werd gebruikt voor aflossing van een andere lening.

DC4U B.V. betwistte deze vaststelling en stelde dat er geen wijziging in de financiering was die gemeld had moeten worden en dat zij wel kosten had gemaakt voor het project. Het College oordeelde dat de minister niet bevoegd was de subsidie ambtshalve vast te stellen omdat geen wettelijke grondslag aanwezig was.

Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 9 april 2024 herroepen. Het College bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De minister wordt opgedragen de subsidie opnieuw te beoordelen en de onderneming in de gelegenheid te stellen een aanvraag tot subsidievaststelling te doen.

Daarnaast veroordeelde het College de minister tot vergoeding van de proceskosten van de onderneming.

Uitkomst: Het beroep van DC4U B.V. wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister om de subsidie ambtshalve op nihil vast te stellen wordt vernietigd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/880

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

DC4U B.V., te Abcoude (onderneming)

(gemachtigden: mr. C.N. van der Sluis en mr. M. Fruytier)
en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigde: mr. N. Adams)

Procesverloop

Met het besluit van 9 april 2024 heeft de minister de subsidie in de vorm van een innovatiekrediet die aan de onderneming op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 3.9 Innovatiekredieten (Regeling) was verleend, vastgesteld op nihil en de onverschuldigd betaalde voorschotten van in totaal € 557.658,- en de opgebouwde rente van in totaal € 10.771,20 van haar teruggevorderd.
Met het besluit van 6 september 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 20 februari 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Overwegingen

1. Titel 3.9 van de Regeling voorzag ten tijde van belang in subsidie voor de ontwikkeling van veelbelovende en uitdagende innovaties met een uitstekend marktperspectief. De subsidie werd verstrekt in de vorm van een krediet voor risicovolle klinische of technische ontwikkelingsprojecten, waarin nieuwe producten, processen of diensten werden ontwikkeld.
2 De onderneming is een biotechnologiebedrijf. Zij heeft op 8 juni 2022 een aanvraag gedaan voor een innovatiekrediet voor het project ‘GlycoDC™ Platform to develop Immunotherapy for Celiac Disease and Diabetes Mellitus Type I’.
3 Met het besluit van 23 december 2022 heeft de minister voor het project een krediet voor 45% van de daadwerkelijk gemaakte en betaalde projectkosten verleend tot een bedrag van maximaal € 1.450.755,-, onder de opschortende voorwaarde dat de onderneming binnen vier weken na dit besluit een ondertekende definitieve investeringsovereenkomst van € 2.500.000,- van het ‘Conchylium Investments Fund’ (Conchylium) indient. De looptijd van het project was van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2024 en ieder kwartaal zou de minister een voorschot op het krediet betalen. Aan de subsidieverlening is de verplichting verbonden dat de onderneming niet zonder toestemming van de minister wijzigingen kan doorvoeren in de financiering van het project.
4 Met het besluit van 9 april 2024 heeft de minister de subsidie vastgesteld op nihil en de onverschuldigd betaalde voorschotten van in totaal € 557.658,- en de opgebouwde rente van € 10.771,20 van de onderneming teruggevorderd. Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd. Volgens de minister heeft de onderneming niet aan de aan de subsidie verbonden verplichting voldaan, omdat zij niet tijdig heeft gemeld dat de financiering van Conchylium uiteindelijk niet is verstrekt, terwijl die financiering essentieel is voor het slagen van het project. Ook heeft de onderneming het innovatiekrediet gebruikt voor aflossingen van de Corona Overbruggingslening.
5 De onderneming is het niet eens met de vaststelling van de subsidie op nihil en de terugvordering van de voorschotten, vermeerderd met rente. Volgens de onderneming is geen sprake van een wijziging in de financiering van het project die zij had moeten melden. Ook heeft de minister er geen rekening mee gehouden dat zij wel kosten heeft gemaakt voor een deel van de activiteiten en dat niet uitgesloten kan worden dat zij, ondanks de problemen rondom de financiering, (een deel van) het project kan uitvoeren.
6 Het College stelt vast dat de minister in dit geval de subsidie ambtshalve heeft vastgesteld.
7 Op grond van artikel 4:47 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:
a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;
b. toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid, of
c. de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.
8 Op de zitting heeft de minister bevestigd dat zich geen van de in dit artikel genoemde gevallen voor ambtshalve vaststelling voordoet. Omdat verder niet is gebleken dat de minister op een andere grond bevoegd was de subsidie ambtshalve vast te stellen, moet worden geoordeeld dat de minister hiertoe niet bevoegd was.
9 Nu de minister zonder grondslag de subsidie ambtshalve op nihil heeft vastgesteld, is er ook geen grondslag voor de terugvordering van de onverschuldigd betaalde voorschotten en de opgebouwde rente.
10 Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het College ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 9 april 2024 te herroepen, omdat daaraan hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit. Het College zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
11 Gelet op de ontstane problemen rondom de financiering van het project, zal de minister moeten onderzoeken of hij met toepassing van artikel 4:48, eerste lid, van de Awb de subsidieverlening intrekt of ten nadele van de onderneming wijzigt, of de onderneming in de gelegenheid stelt een aanvraag tot subsidievaststelling te doen. Op de zitting heeft de minister verklaard dat hij meent dat de onderneming in de gelegenheid zou moeten worden gesteld om een vaststellingsaanvraag te doen. Daarin kan de onderneming de door haar voor het project gemaakte kosten nader onderbouwen. Vervolgens kan de minister beoordelen of een vaststelling op nihil en terugvordering van de betaalde voorschotten vermeerderd met rente in dit geval evenredig is.
12 Het College zal de minister veroordelen in de door de onderneming gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De in bezwaar gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand stelt het College vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van een hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het besluit van 9 april 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan de onderneming;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. A. Venekamp en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
w.g. M. van Duuren w.g. M.C. Verviers

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:46
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
[…]
Artikel 4:47
Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:
a. bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;
b. toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid, of
c. de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.
Artikel 4:95, vierde lid
4. Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.
Artikel 7:12, eerste lid
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […]