Appellant werd geconfronteerd met een invordering van verbeurde dwangsommen van €3.000 wegens het niet volledig voldoen aan een last onder dwangsom die was opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De last betrof onder meer het verbeteren van de huisvesting en verzorging van vijftien Pocket Bully-honden die in strijd met de wet werden gehouden.
De minister stelde dat appellant als houder van de dieren kon worden aangemerkt en daarom aansprakelijk was voor de dwangsommen. Appellant betoogde dat hij geen houder was, omdat de honden eigendom waren van zijn vader, die ook de feitelijke zorg droeg, en dat hij zelf elders woonde en geen zeggenschap had over de huisvesting.
Het College oordeelde dat appellant evident geen overtreder was en dat de last voor hem evident onuitvoerbaar was, omdat hij geen eigenaar of bewoner was van de woning waar de honden werden gehouden en geen feitelijke zeggenschap had. De minister had onvoldoende bewijs geleverd dat appellant als houder kon worden aangemerkt. Het beroep werd daarom gegrond verklaard, het invorderingsbesluit vernietigd en de minister veroordeeld tot terugbetaling van de dwangsommen en vergoeding van proceskosten.