Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 op het hoger beroep van
[naam 1] , te [woonplaats 1]
[naam 2] , te [woonplaats 2]
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Quality Risk Management-score(QRM-score) een percentage in mindering gebracht. Tegen de vaststelling van deze vergoeding heeft [naam 1] (intern) bezwaar en later ook (intern) beroep aangetekend.
general counselvan [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] , [naam 1] en [naam 2] . Op 7 april 2020 hebben [naam 1] en [naam 2] elkaar opnieuw gesproken, ditmaal zonder [naam 5] . [naam 1] heeft van beide gesprekken in het geheim een opname gemaakt en daarvan transcripties overgelegd.
Uitspraak van de accountantskamer
“a. Betrokkene heeft naar aanleiding van de in september 2018 door klager bij betrokkene gedane melding van misstanden ten onrechte geen actie ondernomen en hij heeft niet gehandeld conform de Klokkenluidersregeling en artikel 27 van Pro de Verordening accountantsorganisaties (hierna: VAO).
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
2 februari 2020 blijkt ook niet dat [naam 2] op 25 oktober 2018 bekend was met de (inhoud) van de waarschuwingsbrief. In de overgelegde mailwisseling uit november en december 2018 wordt alleen gesproken over het ‘appeal’ van [naam 1] tegen de salariskorting, maar niet over de waarschuwingsbrief. Ook uit de print van het Whatsapp-gesprek blijkt niet dat [naam 2] van die brief op de hoogte was. Het College ziet, net als de accountantskamer, niet in waarom [naam 2] [naam 1] had moeten horen voordat hij de brief van
25 oktober 2018 ondertekende. Uit de uitspraak van het College waar [naam 1] naar verwijst, volgt dat ook het optreden van een accountant in of bij de uitoefening van werkzaamheden als bestuurslid van een accountantsorganisatie aan te merken is als beroepsmatig handelen. Dat betekent echter nog niet dat [naam 2] de brief in zijn rol als bestuurder niet had mogen ondertekenen zonder [naam 1] te horen of op een andere manier onderzoek te doen naar de achtergrond van die brief. Hierbij is van belang dat [naam 2] bij de ondertekening van die brief geen specifieke vaktechnische werkzaamheden heeft verricht en de toetsingsruimte voor de tuchtrechter in een dergelijk geval beperkt is (zie de uitspraak van het College van 11 september 2018, ECLI:NL:CBB:2018:492). Het ging hier om een (jaarlijkse) brief aan een groot aantal partners die door [naam 2] als [functienaam] werd ondertekend. De accountantskamer heeft er daarnaast terecht op gewezen dat door [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] is voorzien in de mogelijkheid van intern bezwaar en beroep tegen een besluit inzake de vergoeding.
Beslissing
mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.