ECLI:NL:CBB:2026:283
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking subsidie wegens niet tijdig ondertekenen overeenkomst beëindiging veehouderijlocatie
De vennootschap had een subsidie aangevraagd en toegekend gekregen voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie onder de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). Een voorwaarde was dat de vennootschap binnen zes maanden na subsidieverlening een overeenkomst voor beëindiging van de veehouderijlocatie moest ondertekenen en terugsturen. Ondanks verzoeken om uitstel, werd dit niet verleend en werd de termijn uiteindelijk verlengd tot 20 februari 2025, met een laatste uitstel van twee weken.
De vennootschap kon de overeenkomst niet binnen deze termijn ondertekenen vanwege onduidelijkheden over de toekomst van het bedrijf en een lopende procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak. De minister trok daarop de subsidie in op grond van artikel 4:48, lid 1, onder b, Awb. De vennootschap stelde dat de minister ten onrechte geen uitstel had verleend en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat in andere gevallen wel uitstel was gegeven.
Het College oordeelde dat de minister bevoegd was de subsidie in te trekken omdat de vennootschap niet voldeed aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De termijn voor ondertekening is dwingend voorgeschreven in de Lbv en er is geen ruimte voor uitstel, behalve in uitzonderlijke gevallen buiten de invloedsfeer van de ondernemer, wat hier niet is aangetoond. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de andere gevallen niet vergelijkbaar waren. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap tegen de intrekking van de subsidie wegens niet tijdig ondertekenen van de overeenkomst wordt ongegrond verklaard.