Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:283

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/861
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:48 AwbArt. 5 LbvArt. 13 Lbv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking subsidie wegens niet tijdig ondertekenen overeenkomst beëindiging veehouderijlocatie

De vennootschap had een subsidie aangevraagd en toegekend gekregen voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie onder de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). Een voorwaarde was dat de vennootschap binnen zes maanden na subsidieverlening een overeenkomst voor beëindiging van de veehouderijlocatie moest ondertekenen en terugsturen. Ondanks verzoeken om uitstel, werd dit niet verleend en werd de termijn uiteindelijk verlengd tot 20 februari 2025, met een laatste uitstel van twee weken.

De vennootschap kon de overeenkomst niet binnen deze termijn ondertekenen vanwege onduidelijkheden over de toekomst van het bedrijf en een lopende procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak. De minister trok daarop de subsidie in op grond van artikel 4:48, lid 1, onder b, Awb. De vennootschap stelde dat de minister ten onrechte geen uitstel had verleend en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat in andere gevallen wel uitstel was gegeven.

Het College oordeelde dat de minister bevoegd was de subsidie in te trekken omdat de vennootschap niet voldeed aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De termijn voor ondertekening is dwingend voorgeschreven in de Lbv en er is geen ruimte voor uitstel, behalve in uitzonderlijke gevallen buiten de invloedsfeer van de ondernemer, wat hier niet is aangetoond. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de andere gevallen niet vergelijkbaar waren. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de vennootschap tegen de intrekking van de subsidie wegens niet tijdig ondertekenen van de overeenkomst wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/861

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

besloten vennootschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] (vennootschap)

(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)

Procesverloop in beroep

De vennootschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 september 2025 (bestreden besluit), waarbij de minister het bezwaar tegen de intrekking van subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling voor stikstofreductie (Lbv) ongegrond heeft verklaard.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van beide partijen en van de zijde van de vennootschap [naam 2] en [naam 3] .

Waar gaat deze zaak over

1.1
De vennootschap heeft op 29 november 2023 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een subsidie aangevraagd op grond van de Lbv.
1.2
Met het besluit van 30 juli 2024 (verleningsbesluit) heeft de minister aan de onderneming een subsidie van maximaal € 3.339.514,35 verleend voor de beëindiging van de veehouderijlocatie te [vestigingsplaats] . In het verleningsbesluit is als verplichting opgenomen dat de onderneming de in de bijlage opgenomen overeenkomst voor de beëindiging van de veehouderijlocatie binnen zes maanden dient te ondertekenen en terug te zenden aan de RVO.
1.3
Op 21 augustus 2024 heeft de vennootschap verzocht deze termijn te verlengen tot 1 augustus 2025. De vennootschap heeft aangegeven nog geen strategische keuze te kunnen maken door onduidelijkheid over de ontwikkeling van het gebied waarin het bedrijf is gelegen, en op grond waarvan de vennootschap de mogelijkheid heeft om haar bedrijf verder te ontwikkelen en te verduurzamen.
1.4
Op 12 september 2024 heeft de RVO na overleg met het ministerie aan de vennootschap bericht dat geen uitstel kan worden gegeven voor het ondertekenen van de overeenkomst.
1.5
Op 29 januari 2025 heeft de RVO de termijn voor het ondertekenen van de overeenkomst met drie weken verlengd tot 20 februari 2025.
1.6
Op 11 februari 2025 heeft de RVO meegedeeld dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 18 december 2024 een uitspraak heeft gedaan, waardoor de subsidieontvanger die na het beëindigen van de veehouderij binnen de 15%-ruimte van de Lbv een andere activiteit gaat uitvoeren op de locatie waarschijnlijk een nieuwe natuurvergunning nodig heeft en dat het op dit moment moeilijker is geworden om die vergunning te verkrijgen.
1.7
Op 12 februari 2025 heeft de vennootschap verzocht om uitstel van zes maanden met het oog op de onzekerheden als gevolg van de uitspraak van 18 december 2024 en de onzekerheden met betrekking tot het alternatief scenario voorzetting en verduurzaming van de veehouderij.
1.8
Op 25 februari 2025 heeft de RVO meegedeeld dat na overleg met het ministerie het gevraagde uitstel niet wordt verleend voor het ondertekenen van de overeenkomst en de vennootschap in de gelegenheid gesteld om de overeenkomst binnen twee weken alsnog te ondertekenen.
1.9
Met besluit van 27 maart 2025 heeft de minister het verleningsbesluit ingetrokken op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de vennootschap niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichting, namelijk het terugsturen van de ondertekende overeenkomst binnen de (verlengde) termijn van zes maanden na subsidieverlening.
1.1
Met het bestreden besluit is de minister bij dit besluit gebleven. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de ondertekening van de overeenkomst dwingend is voorgeschreven in artikel 13, eerste lid, sub a, van de Lbv. Er is in de Lbv geen mogelijkheid opgenomen om uitstel van de termijn te geven. Het verlenen van uitstel op het ondertekenen van de overeenkomst is alleen mogelijk in uitzonderlijke gevallen die buiten de invloedsfeer van een ondernemer liggen. Daarvan is volgens de minister geen sprake.

Wettelijk kader

2.1
Op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2.2
Subsidie op grond van de Lbv wordt verleend voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie. Een vereiste voor de onomkeerbare sluiting is dat de veehouder zich met gebruikmaking van de modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden tot sluiting van de veehouderijlocatie (artikel 5, eerste lid, onderdeel h, van de Lbv).
2.3
In artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Lbv is als verplichting van de subsidieontvanger bepaald dat de subsidieontvanger voldoet aan het vereiste, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, door de overeenkomst binnen zes maanden na de subsidieverlening ondertekend aan de minister toe te zenden.
2.4
De precieze tekst van het wettelijk kader, voor zover relevant, is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Standpunten van partijen

3.1
De vennootschap betoogt dat de minister ten onrechte het verzoek om uitstel heeft afgewezen en de subsidieverlening heeft ingetrokken. Volgens de vennootschap heeft zij de overeenkomst niet kunnen tekenen door onduidelijkheden buiten haar invloedsfeer en heeft de minister niet inzichtelijk en duidelijk gemotiveerd waarom in haar geval van een uitzonderlijk geval geen sprake is. De vennootschap voert aan dat zij vanaf 2014 in samenwerking met veehouderijbedrijven, bewoners en het bevoegde gezag heeft gewerkt aan een nieuw plan voor het gebied waarin zij de mogelijkheid krijgt om haar bedrijf uit te breiden en verder te moderniseren. In 2019 is hiervoor een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente, de provincie en de directe omgeving, maar daarna is discussie ontstaan en heeft de provincie haar opstelling gewijzigd. Gezien de onduidelijkheid met betrekking tot de voortzetting en verduurzaming van het bedrijf, werd de deelname aan de Lbv voor de vennootschap het alternatief. De onduidelijkheid bestaat nog steeds en hierover loopt een procedure bij de Afdeling. Daarnaast heeft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 volgens de vennootschap tot gevolg dat zij mogelijk niet aan de verplichtingen in de Lbv kan voldoen. De vennootschap stelt dat zij in het voorjaar van 2025 geen verantwoorde definitieve keuze voor een van beide opties kon maken en verzoekt om alsnog uitstel te verlenen. De vennootschap benadrukt dat de minister in andere gevallen wel uitstel heeft verleend en doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
3.2
De minister stelt zich op standpunt dat de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 niet in de weg staat aan het beëindigen van de veehouderijlocatie. De termijnen van de Lbv zien op het tijdig beëindigen van de productiecapaciteit en niet op een nieuwe activiteit. De bedrijfsbeëindiging is voor de vennootschap pas een optie als blijkt dat de voorgenomen uitbreiding van haar bedrijf op de betreffende locatie niet is toegestaan. De vennootschap wil de optie van de Lbv-subsidie openhouden zolang er onduidelijkheid is over het wel/niet mogen bouwen van extra stallen, maar dat past niet binnen de Lbv. Van gelijke gevallen is volgens de minister geen sprake. Volgens de minister ging het bij de gehonoreerde uitstelverzoeken telkens om situaties waarin de wens om te beëindigen aanwezig was, maar de definitieve keuze om te beëindigen nog niet gemaakt kon worden, bijvoorbeeld omdat nog onduidelijkheid bestond over de hoogte van de subsidie voor de beëindiging. Ook is in alle gehonoreerde gevallen slechts uitstel voor een beperkte periode verleend.

Beoordeling van het beroep

4 Het College ziet zich voor de vraag gesteld of de minister de subsidie heeft mogen intrekken. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.1
Gezien het verleningsbesluit was de vennootschap op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Lbv verplicht om de overeenkomst binnen zes maanden na de subsidieverlening, dus uiterlijk op 30 januari 2025, ondertekend aan de minister toe te zenden. De minister heeft deze termijn verlengd tot 20 februari 2025 en op 25 februari 2025 nog een uitstel gegeven met twee weken. Vaststaat dat de vennootschap de overeenkomst niet binnen de (door de minister verlengde) termijn van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Lbv ondertekend aan de minister heeft toegezonden. De vennootschap heeft daarmee niet voldaan aan een aan de aan de subsidie verbonden verplichting. De minister was daarom op grond van artikel 4:48, eerste lid, aanhef onder b, van de Awb bevoegd om de subsidie in te trekken.
4.2
Het College ziet in wat de vennootschap heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de minister van zijn bevoegdheid tot intrekking geen gebruik heeft mogen maken.
Het College volgt niet het betoog van de vennootschap dat de minister haar uitstel had moeten geven voor de ondertekening van de overeenkomst door de onduidelijkheid over de mogelijke uitbreiding en modernisering van het bedrijf als alternatief voor de beëindiging. De termijn van zes maanden na subsidieverlening voor de ondertekening van de overeenkomst beoogt ondernemers tijd te geven om zekerheid te hebben over hun toekomst na beëindiging van het veehouderijbedrijf (zie de toelichting bij de Lbv, Stcrt 2023, 14992, blz. 24). Voor de vennootschap is bedrijfsbeëindiging pas een optie als blijkt dat de voorgenomen uitbreiding van haar bedrijf niet is toegestaan. Hoewel dit begrijpelijk is, wijst de minister er terecht op dat dit niet past binnen de Lbv, gelet ook op de Unierechtelijke context. Het door de overheid verstrekken van steun aan bedrijven wordt in beginsel aangemerkt als (verboden) staatssteun. De minister heeft de Lbv met daarin de termijn in artikel 13, eerste lid, van de Lbv aan de Europese Commissie voorgelegd. De Commissie heeft geoordeeld dat de Lbv in overeenstemming is met de staatssteunkaders die gelden in de interne markt (SA.106555). Hierin bestaat geen ruimte om de keuze om het bedrijf te beëindigen uit te stellen totdat de door de door de vennootschap gewenste duidelijkheid er is. De uitspraak van 18 december 2024 van de Afdeling maakt de conclusie niet anders. Zoals de minister heeft toegelicht, heeft die uitspraak betrekking op nieuwe activiteiten na beëindiging van het veehouderijbedrijf op dezelfde locatie en vormt dit geen beletsel om de veehouderijactiviteiten in overeenstemming met de eisen van de Lbv te beëindigen.
4.3.
Het College is verder van oordeel dat het beroep van de vennootschap op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De minister heeft toegelicht in een zeer beperkt aantal gevallen voor een korte periode uitstel te hebben verleend. Die gevallen zagen niet op onduidelijkheid over de mogelijkheid om de veehouderij niet te beëindigen (maar voort te zetten en uit te breiden), zodat het geen gelijke gevallen betreft op grond waarvan het gelijkheidsbeginsel geschonden is.
Slotsom
5.1
Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
5.2
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. van Gijzen en mr. O.L.H.W.I. Korte, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

w.g. R.C. Stamw.g. A. Graefe

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b
1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien:
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder h
Er is sprake van een onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, indien:
de veehouder zich met gebruikmaking van de in bijlage 2 opgenomen modelovereenkomst met de Staat der Nederlanden heeft verbonden om:
1°. niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband;
2°. zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en
3°. niet op een andere locatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie dezelfde diersoorten met productierecht te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a
1. De subsidieontvanger voldoet aan:
a. het vereiste, vermeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel h, door de in die bepaling bedoelde overeenkomst binnen zes maanden na de subsidieverlening ondertekend aan de minister te zenden.