ECLI:NL:CBB:2026:297

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
24/1098
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 LbvArt. 4 Lbv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag melkveebedrijf op grond van stikstofvrachtberekening

Het landbouwbedrijf exploiteert een melkveebedrijf en heeft subsidie aangevraagd op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). De minister wees de aanvraag af omdat de stikstofvracht op een overbelast Natura 2000-gebied onder de drempelwaarden bleef, een voorwaarde voor subsidieverstrekking.

Het geschil spitste zich toe op het aantal landbouwhuisdieren dat bij de stikstofvrachtberekening in aanmerking moest worden genomen. Het bedrijf stelde dat de situatie in 2021 niet representatief was vanwege gezondheidsproblemen en bedrijfswijzigingen, en dat de dieraantallen van 2019 moesten worden gebruikt. De minister handhaafde echter de berekening op basis van 2021.

Het College oordeelde dat het bedrijf onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat 2021 niet representatief was. De structurele wijziging in de bedrijfsvoering sinds 2020, waaronder het houden van weinig tot geen jongvee, maakte dat 2021 wel representatief was. Omdat de stikstofvracht onder de drempelwaarden bleef, voldeed het bedrijf niet aan de subsidievoorwaarden.

Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en wees de subsidieaanvraag terecht af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag terecht afgewezen omdat de stikstofvrachtberekening op basis van 2021-dieraantallen correct is.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/1098

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats]

(gemachtigde: A.B. Strootman)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)

Procesverloop in beroep

Het landbouwbedrijf heeft tegen het besluit van 6 november 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens het landbouwbedrijf [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van het landbouwbedrijf, en de gemachtigden van de minister.

Overwegingen

Inleiding
1. Het landbouwbedrijf exploiteert een melkveebedrijf en heeft subsidie aangevraagd op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv).
2 De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen, omdat de stikstofvracht die (de betreffende locatie van) het landbouwbedrijf veroorzaakt op een overbelast Natura 2000-gebied niet ten minste gelijk is aan een van de in bijlage 1 behorende bij artikel 4, eerste lid, van de Lbv opgenomen drempelwaarden. Naar aanleiding van het bezwaar van het landbouwbedrijf tegen de bij de berekening gehanteerde uittreedhoogten, heeft de minister een nieuwe berekening van de depositievracht gemaakt. De minister concludeert dat met de nieuwe berekening nog steeds onder de drempelwaarde blijft. De minister handhaaft daarom zijn besluit tot afwijzing van de aangevraagde subsidie.
Beoordeling van het beroep
3 Het geschil tussen partijen spitst zich toe op het bij de bepaling van de stikstofvracht in aanmerking genomen aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld op de locatie is gehouden.
4 Op grond van artikel 2, tweede lid en onder a, van de Lbv wordt bij de berekening van de stikstofvracht uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in 2021 op de locatie is gehouden, tenzij de situatie in 2021 niet representatief is. In dat geval kan op grond van het derde lid uitgegaan worden van de aantallen in 2020 of 2019.
5 Het landbouwbedrijf vindt dat het derde lid van artikel 2 van Pro de Lbv moet worden toegepast, omdat de situatie in 2021 niet representatief is. Voor het gemiddeld aantal gehouden landbouwhuisdieren moet worden uitgegaan van de dieraantallen in 2019, want in dat jaar was de bedrijfsvoering zoals deze gebruikelijk is. Door gezondheidsproblemen van [naam 2] was het landbouwbedrijf genoodzaakt om in 2020 (het grootste deel van) het jongvee van de hand te doen en zich te richten op melkkoeien. De gezondheidsproblemen hielden aan en toen in 2023 de Lbv in werking trad is besloten het landbouwbedrijf daarvoor aan te melden. Dat de eerdere bedrijfsvoering niet is hervat, komt ook door de zorgelijke gezondheidssituatie van de dochter van [naam 2] en de omstandigheid dat de stal waarin het jongvee werd gehouden grondig verbouwd en aangepast diende te worden.
6 De minister is van mening dat 2021 hier wel representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren. Weliswaar werd in 2019 op de betreffende locatie meer jongvee gehouden, maar uit de in de Gecombineerde opgaven van 2019 tot en met 2024 opgegeven dieraantallen blijkt dat het aantal jongvee in 2019 (sterk) afwijkt van de aantallen jongvee die in de vijf daaropvolgende jaren werden gehouden. Dat wijst volgens de minister op een blijvende wijziging in de bedrijfsvoering en geenszins op een tijdelijke, niet representatieve situatie in 2021.
7 Het College is van oordeel dat het landbouwbedrijf er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie in 2021 niet representatief is voor het op de locatie jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren. Hierbij overweegt het College dat hoewel het landbouwbedrijf voornemens was om, als de omstandigheden dat weer toe zouden laten, de bedrijfsvoering te hervatten op een wijze gelijk aan die in 2019 en de jaren daaraan voorafgaand, het aan die plannen geen (begin van) uitvoering heeft gegeven. Gezondheids- en persoonlijke problematiek en de benodigde verbouwing van de jongveestal stonden daaraan in de weg. Hoezeer het College ook begrijpt dat de gemaakte bedrijfskeuzes een gevolg zijn van de spijtige omstandigheden die (de maten van) het landbouwbedrijf zijn overkomen, volgt het de minister in zijn standpunt dat die keuzes hebben geleid tot een structurele wijziging in de bedrijfsvoering, in die zin dat het landbouwbedrijf sinds 2020 geen, dan wel slechts een beperkt aantal, jongvee (meer) houdt.
Slotsom
8 Uit het voorgaande volgt dat de minister bij de stikstofvrachtberekening voor het gemiddeld op de locatie gehouden landbouwhuisdieren terecht is uitgegaan van de dieraantallen in 2021. De door de minister in het bestreden besluit gehanteerde uittreedhoogten zijn niet (meer) in geschil. Desgevraagd heeft het landbouwbedrijf erkend dat uitgaande van de dieraantallen in 2021 de stikstofvracht onder de drempelwaarden blijft. Daarmee wordt niet voldaan aan de in het eerste lid van artikel 4 van Pro de Lbv voor subsidieverstrekking vermelde voorwaarde. De slotsom is dat de minister de subsidieaanvraag van het landbouwbedrijf terecht heeft afgewezen.
9 Het beroep is ongegrond.
10 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. van Gijzen en mr. O.L.H.W.I. Korte, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2026.
w.g. R.C. Stam w.g. J.M. Baars