Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:299

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
23/2045
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7 TEKArt. 8 TEKArt. 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag energiekosten wegens ontbreken zakelijke energieleveringsovereenkomst

De zaak betreft de afwijzing van de subsidieaanvraag van [naam 1] B.V. op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK). De minister wees de aanvraag af omdat niet was voldaan aan de voorwaarde dat de energiekosten voortvloeien uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst op naam van de aanvrager.

Het College beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het beroep. Hoewel het beroepschrift na de beroepstermijn werd ontvangen, achtte het College de termijnoverschrijding verschoonbaar omdat het beroepschrift tijdig was ter post bezorgd en de late ontvangst niet aan [naam 1] kon worden toegerekend.

Inhoudelijk oordeelde het College dat het energiecontract niet op naam van [naam 1] stond, maar op naam van een aandeelhouder, [naam 5] B.V., die slechts 50% eigenaar is. Dit voldoet niet aan de eis van een zakelijke energieleveringsovereenkomst op naam van de aanvrager. Ook kon [naam 5] niet als energieleverancier worden aangemerkt. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen omdat het vereiste van een eigen zakelijke energieleveringsovereenkomst niet onredelijk is en essentieel voor de uitvoering van de regeling.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een zakelijke energieleveringsovereenkomst op naam van de aanvrager.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/2045

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] ( [naam 1] )

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat

(gemachtigden: mr. Y. Groen en mr. M.J.H. van der Burgt)

Procesverloop

Met het besluit van 17 augustus 2023 heeft de minister de subsidieaanvraag van [naam 1] op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.
Met het besluit van 7 november 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] namens [naam 1] en de gemachtigden van de minister.
Op 12 december 2025 heeft het College het onderzoek heropend en [naam 1] in de gelegenheid gesteld nader bewijs aan te dragen van de tijdige terpostbezorging van haar beroepschrift. [naam 1] heeft dit schriftelijk gedaan en de minister heeft hier schriftelijk op gereageerd.
Op 18 februari 2026 is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over de aanvraag van [naam 1] voor een subsidie op grond van de TEK. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de energiekosten over van energie-intensieve mkb-ondernemingen. De overheid heeft dit initiatief genomen omdat de energieprijzen plotseling sterk stegen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. De TEK gold voor de periode van 1 november 2022 tot en met 31 december 2023.
1.2
[naam 1] is eigenaar van het rijksmonument [naam 4] ( [naam 4] ). Het [naam 4] biedt onderdak aan bijna 100 verschillende gebruikers met veelal een maatschappelijke inslag.
1.3
Om in aanmerking te komen voor een subsidie op grond van de TEK moet een onderneming voldoen aan een aantal vereisten. Eén daarvan is dat de kosten voor de levering van elektriciteit en gas voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier (artikel 7, eerste lid, van de TEK). Als de mkb-onderneming niet aan deze eis voldoet, moet de minister de aanvraag afwijzen (artikel 8, aanhef en onder a, van de TEK). Dit is gebeurd in het geval van [naam 1] .
Beoordeling door het College van de ontvankelijkheid van het beroep van [naam 1]
2.1
Het College moet eerst, ambtshalve, beoordelen of het beroep van [naam 1] ontvankelijk is.
2.2
Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend als het voor het einde van de beroepstermijn bij PostNL of een andere postaanbieder dan PostNL is aangeboden, mits het niet later dan een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dan verschoonbaar.
2.3
De laatste dag waarop [naam 1] tijdig een beroepschrift kon indienen, was dinsdag
19 december 2023. De termijn van een week, bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, eindigde - met inachtneming van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet - op dinsdag 27 december 2023. Navraag bij de postkamer van het College heeft uitgewezen dat het beroepschrift, dat is gedagtekend maandag 18 december 2023, niet eerder dan op woensdag 28 december 2023 door het College is ontvangen. Op de gefrankeerde envelop staat geen poststempel. Uit het voorgaande volgt dat het beroepschrift is ontvangen na afloop van de beroepstermijn en niet binnen een week na afloop daarvan.
2.4
[naam 1] heeft verklaard dat het beroepschrift op maandag 18 december 2023 in een brievenbus van PostNL is gedeponeerd. [naam 1] heeft een video-opname overgelegd van de terpostbezorging van een envelop die sterk lijkt op de door het College ontvangen envelop. Ook is een screenshot overgelegd met de datum 18 december 2023 waarop de video-opname via Whatsapp is verzonden naar direct betrokkenen bij [naam 1] .
2.5
Het College acht het aannemelijk dat [naam 1] haar beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post heeft bezorgd. Het College heeft geen reden om de verklaring van [naam 1] over de terpostbezorging op maandag 18 december 2023 in twijfel te trekken en die verklaring wordt ook ondersteund door de overgelegde video-opname en het overgelegde screenshot. Dit betekent dat aan het eerste vereiste van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is voldaan.
2.6
De volgende vraag is dan of niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [naam 1] achterwege moet blijven op de grond dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [naam 1] ten aanzien van de ontvangst van haar beroepschrift tien dagen na de terpostbezorging in verzuim is geweest. Bij het beantwoorden van die vraag neemt het College de volgende passages uit de toelichting bij artikel 6:9, tweede lid, van de Awb in aanmerking:
“De termijn van een week na het verstrijken van de bezwaar- of beroepstermijn, binnen welke het geschrift moet zijn ontvangen, is een compromis tussen twee overwegingen. Enerzijds moet deze termijn zo kort mogelijk zijn om de werking van de bezwaar- en beroepstermijn niet te ondermijnen. Anderzijds moet er bij handhaving van de verzendtheorie ook een reële mogelijkheid zijn om een op de laatste dag van de termijn verzonden geschrift tijdig te bestemder plaatse te krijgen.” [1]
“Binnen Nederland is de overgrote meerderheid van de geschriften binnen een of twee dagen na verzending te bestemder plaatse.
[…].
Voorop blijft staan dat het geschrift binnen de termijn ter post moet zijn bezorgd; indien dat is geschied zal aan de tweede eis – bezorging binnen een week – welhaast altijd zijn voldaan.” [2]
“Ten overvloede zij opgemerkt, dat ook een geschrift dat binnen de termijn is verzonden maar langer dan een week onderweg is, onder omstandigheden ontvankelijk kan zijn, namelijk als de termijnoverschrijding verschoonbaar is (art. 6:11). Dat zal echter in het algemeen niet het geval zijn, als de gekozen wijze van verzending een niet te verwaarlozen risico in zich draagt dat het geschrift langer dan een week onderweg is.” [3]
Hieruit blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat het tweede vereiste van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb niet problematisch zou zijn voor poststukken die binnen Nederland worden verzonden en dat de wetgever uitdrukkelijk ruimte ziet voor een aanvullende werking van artikel 6:11 van Pro de Awb in de situatie dat aan dat vereiste toch niet wordt voldaan.
2.7
Toegespitst op het geval van [naam 1] leidt dit tot het volgende. [naam 1] heeft het beroepschrift voorafgaand aan de laatste dag van de beroepstermijn in een brievenbus van PostNL gedeponeerd. Omdat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat een in Nederland ter post bezorgd stuk binnen een week bij de geadresseerde wordt bezorgd, kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat de gekozen wijze van verzending een niet te verwaarlozen risico in zich draagt dat het geschrift langer dan een week onderweg is. Omdat verder niet is gebleken dat [naam 1] zelf de late ontvangst heeft veroorzaakt of daaraan heeft bijgedragen (bijvoorbeeld door de envelop niet of niet voldoende te frankeren), kan de termijnoverschrijding niet aan haar worden toegerekend.
2.8
Het beroep van [naam 1] is ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling door het College van het beroep van [naam 1]
Is voldaan aan het vereiste van een zakelijke energieleveringsovereenkomst?
3.1
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of wordt voldaan aan de voorwaarde uit de TEK dat de kosten voortvloeien uit een zakelijke (energieleverings)overeenkomst. [naam 1] meent dat hieraan is voldaan. Het energiecontract staat weliswaar niet op haar eigen naam, maar wel op die van één van haar aandeelhouders, [naam 5] B.V. ( [naam 5] ), die deze kosten rechtstreeks doorbelast aan [naam 1] . Volgens [naam 1] is daarom in de eerste plaats sprake van een situatie waarin het zakelijke energiecontract op naam van de eigenaar van de onderneming staat. In zo’n geval accepteert de minister het energiecontract wel. Dat heeft de minister hier ten onrechte niet gedaan. In de tweede plaats heeft [naam 1] aangevoerd dat [naam 5] moet worden aangemerkt als de energieleverancier van [naam 1] . Het College is van oordeel dat beide argumenten van [naam 1] niet opgaan en dat [naam 1] dus niet voldoet aan de voorwaarde van een zakelijke energieleveringsovereenkomst. Hierna zet het College uiteen hoe het tot zijn oordeel komt.
3.2
Artikel 8, aanhef en onder a, van de TEK bepaalt dat de minister de aanvraag moet afwijzen als deze niet voldoet aan de regels van de TEK. Het vereiste van de zakelijke energieleveringsovereenkomst is een van de regels waaraan moet zijn voldaan. Deze eis volgt uit artikel 7, eerste lid, van de TEK. Daarin staat dat alleen die kosten voor de levering van elektriciteit en gas voor subsidie in aanmerking komen, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst. Uit wat het College onder 4 van zijn uitspraak van 4 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:376) heeft overwogen, volgt dat het daarbij moet gaan om een zakelijke energieleveringsovereenkomst op naam van de aanvrager.
3.3
Vaststaat dat het zakelijk energieleveringscontract niet op naam van [naam 1] staat, maar op die van [naam 5] . [naam 5] is voor 50% eigenaar van [naam 1] . Omdat [naam 5] maar één van de aandeelhouders is en niet de enige eigenaar van [naam 1] , kan de zakelijke energieleveringsovereenkomst van [naam 5] naar het oordeel van het College niet doorgaan voor een zakelijke energieleveringsovereenkomst van [naam 1] . De situatie verschilt dan ook van de situatie waarop [naam 1] een beroep heeft gedaan, waarin het zakelijk energieleveringscontract van een eenmanszaak op de privé-naam van de eigenaar staat. [naam 5] kan ook niet worden aangemerkt als de energieleverancier van [naam 1] . Op grond van de TEK moet dan sprake zijn van een leverancier in de zin van de Energiewet 1998 of de Gaswet. Vaststaat dat [naam 5] dit niet is. [naam 1] voldoet dus niet aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, van de TEK. Het gevolg hiervan is dat de minister de aanvraag op grond van artikel 8, aanhef en onder a, van de TEK moest afwijzen.
3.4
De beroepsgrond slaagt niet.
Is er strijd met het evenredigheidsbeginsel?
4.1
[naam 1] heeft ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel gedaan. Volgens [naam 1] voldoet zij materieel aan het vereiste van een zakelijke energieleveringsovereenkomst, omdat alle kosten door [naam 5] aan haar worden doorbelast. [naam 1] meent dat het vereiste vooral is ingegeven vanwege de uitvoerbaarheid van de TEK. Om die reden zou het in haar geval niet (zo strikt) moeten worden toegepast. Het College oordeelt dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Hierna licht het College toe hoe het tot dit oordeel komt.
4.2
Het College heeft, in de uitspraak van 4 juni 2024, de regeling op het punt van het vereiste van de zakelijke energieleveringsovereenkomst al aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb getoetst. Het College heeft geoordeeld dat het vereiste van de eigen zakelijke energieleveringsovereenkomst als zodanig niet onrechtmatig (onevenredig) is. Het College stelt voorop dat de minister er bij de totstandkoming van de TEK bewust voor heeft gekozen om alleen een regeling te treffen voor energie-intensieve ondernemingen die een zakelijke energieleveringsovereenkomst hebben. Het College voegt hier nog het volgende aan toe. Zoals ook blijkt uit 6.3 van de uitspraak van 4 juni 2024 en door de minister op de zitting is toegelicht, is het vereiste van een eigen aansluiting niet alleen bedoeld om de uitvoering van de TEK eenvoudiger te maken. De koppeling aan de EAN-code, die met de zakelijke energieleveringsovereenkomst wordt gelegd, is wezenlijk voor het verkrijgen van de standaardgegevens waarmee de energie-intensiteit wordt berekend. Daarmee wordt vervolgens bepaald of de onderneming tot de doelgroep behoort en in aanmerking komt voor subsidie. Verder is die koppeling van belang om dubbele begunstiging te voorkomen. Het vereiste van het zakelijke energieleveringscontract is daarmee meer dan een uitvoeringsinstrument om ondernemingen snel te voorzien van liquide middelen. Het overleggen van stukken waaruit blijkt dat maar één partij een aansluiting gebruikt, waar [naam 1] op heeft gewezen, ondervangt dat risico niet. Ook om die reden is het vereiste van een zakelijke energieleveringsovereenkomst dus op zichzelf niet onevenredig.
4.3
Het voorgaande betekent voor de rechtstreekse toetsing van het bestreden besluit dat in beginsel ook de evenredigheid van dat besluit is gegeven. Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het vereiste van de zakelijke energieovereenkomst zozeer onevenwichtig is, dat die toepassing achterwege moet blijven. Het gaat dan alleen nog om de evenwichtigheid. Zie de uitspraken van het College van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190), onder 8.2 en 24 december 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:927), onder 8.1.
4.4
Of het bestreden besluit onevenwichtig is, hangt dus af van de omstandigheden van het geval. Het enkele feit dat een onderneming financieel nadeel lijdt, is daarvoor niet voldoende. Het College stelt vast dat [naam 1] geen (andere) bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waardoor het in haar geval onevenwichtig zou uitpakken als aan het vereiste van een zakelijke energieleveringsovereenkomst wordt vastgehouden.
4.5
Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
5 Het College zal het beroep van [naam 1] ongegrond verklaren.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. D. Brugman en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van R. Hosseinollahi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
w.g. T.G.M. Simons w.g. R. Hosseinollahi