ECLI:NL:CBB:2026:302

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
22/2499
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) 2016/429
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing afvoerverbod wilde zwijnen wegens niet voldoen aan voorwaarden

De minister legde op 16 juli 2021 een afvoerverbod op aan [naam 1] vanwege overtredingen van Verordening 2016/429 en de Regeling houders van dieren, waaronder het ontbreken van een Uniek Bedrijfsnummer en het niet registreren van aan- en afvoer van wilde zwijnen. Een aanvullende voorwaarde voor opheffing van het verbod was een onderzoek door een dierenarts middels bloedonderzoek.

[naam 1] verzocht op 6 juli 2022 om opheffing van het verbod, maar de minister wees dit verzoek op 20 juli 2022 af en handhaafde dit besluit op 7 oktober 2022. [naam 1] stelde dat zijn zwijnen wilde dieren waren en dat de regels niet op hem van toepassing waren, verwijzend naar beleidsregels en vergelijkbare situaties elders.

Het College oordeelde dat het afvoerverbod niet meer ter discussie stond vanwege het te late bezwaar, maar dat er wel procesbelang was omdat [naam 1] schade had geleden door het verbod. Het beroep richtte zich op de afwijzing van het opheffingsverzoek, waarbij het College concludeerde dat [naam 1] niet had aangetoond aan de voorwaarden te voldoen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het opheffingsverzoek van het afvoerverbod werd ongegrond verklaard omdat niet aan de voorwaarden was voldaan.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2499

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] ( [naam 1] )

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer)

Procesverloop

Met het besluit van 16 juli 2021 (afvoerverbod) heeft de minister aan [naam 1] een verbod opgelegd om zijn dieren af te voeren en in de handel te brengen en daarbij voorwaarden gesteld waaraan moet worden voldaan om het afvoerverbod te kunnen opheffen.
Met het besluit van 22 juli 2021 heeft de minister een aanvullende voorwaarde gesteld voor opheffing van het afvoerverbod (aanvullende voorwaarde).
[naam 1] heeft met zijn brief van 6 juli 2022 de minister verzocht om het afvoerverbod op te heffen (opheffingsverzoek).
Met het besluit van 20 juli 2022 heeft de minister het opheffingsverzoek afgewezen.
Met het besluit van 7 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van 20 juli 2022 gehandhaafd.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 2 september 2025. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaken met nummers 22/1701, 22/1826, 23/1975, 23/1995, 24/39 en 24/119. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , en aan de zijde van de minister diens gemachtigde, [naam 2] en [naam 3] .
Het College heeft op 16 december 2025 uitspraak gedaan in de zaken met nummers 23/1975 (ECLI:NL:CBB:2025:662) en 24/39 (ECLI:NL:CBB:2025:661).
Het College doet gelijktijdig met deze uitspraak ook uitspraak in de zaken met nummers 22/1701, 22/1826 en 24/119.

Overwegingen

Inleiding
1.1
[naam 1] had wilde zwijnen in een raster van 0,5 hectare op zijn perceel in [plaats] . Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben onderzocht of [naam 1] voldeed aan de regels die daarvoor gelden. Daartoe hebben deze toezichthouders op 30 juni 2021 en 14 juli 2021 het terrein van [naam 1] bezocht en hun bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 29 juli 2021. De toezichthouders hebben geconcludeerd dat [naam 1] geen Uniek Bedrijfsnummer (UBN) op de dierlocatie had, dat hij de aan- en afvoer van wilde zwijnen en dode wilde zwijnen niet in het Identificatie en Registratie (I&R-)systeem van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) had geregistreerd, dat hij niet beschikte over verplichte documenten over de wilde zwijnen en dat de wilde zwijnen geen identificerende merken in de oren hadden.
1.2
De minister heeft vanwege deze bevindingen van de toezichthouders overtredingen door [naam 1] vastgesteld van bepalingen in Verordening 2016/429 [1] en de Regeling houders van dieren. Hij heeft daarom het afvoerverbod en de aanvullende voorwaarde aan [naam 1] opgelegd. In het afvoerverbod heeft de minister de voorwaarden opgenomen waaraan [naam 1] moest voldoen om dit verbod te kunnen opheffen:
“• u brengt identificatiemiddelen aan bij de varkens;
• u meldt via RVO.nl bij de minister dat u varkens houdt. Dit betekent dat u een UBN aanvraagt;
• u toont de herkomst aan van de varkens die u houdt. Inspecteurs beoordelen of aanvullend onderzoek moet worden gedaan naar de gezondheidsstatus van de dieren in het belang van de diergezondheid;
• als u meent dat u aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, dan verzoekt u om een inspectie. […] Als tijdens een inspectie blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan en de gezondheidsstatus van uw dieren is bepaald, dan kan het afvoerverbod worden opgeheven.”
1.3
De aanvullende voorwaarde betreft de verplichting voor [naam 1] om onderzoek te laten doen door een door hem gekozen praktiserend dierenarts naar de aanwezigheid van bepaalde dierziekten. Eén van de daarbij in acht te nemen voorwaarden is dat het onderzoek moet worden gedaan door middel van bloedonderzoek. Omdat de herkomst en daardoor de gezondheidsstatus van de dieren onduidelijk zijn, kunnen de dieren een gevaar opleveren voor de verspreiding van een dierziekte. De minister heft het afvoerverbod pas op als ook aan deze voorwaarde is voldaan.
1.4
Het afvoerverbod en de aanvullende voorwaarde zijn niet bij het College in geschil. Doordat [naam 1] te laat bezwaar had gemaakt tegen het afvoerverbod, is dat verbod in rechte komen vast te staan.
1.5
[naam 1] vindt dat hij geen overtredingen heeft begaan, omdat de bepalingen in Verordening 2016/429 en de Regeling houders van dieren niet op hem van toepassing zijn. Hij heeft daarom het opheffingsverzoek gedaan. De minister heeft dat verzoek afgewezen omdat [naam 1] niet aan de voorwaarden voor opheffing van het afvoerverbod voldeed. Omdat [naam 1] het niet eens is met deze, in bezwaar gehandhaafde, afwijzing heeft hij beroep ingesteld bij het College.
1.6
De zwijnen van [naam 1] zijn op 8 oktober 2023 geëuthanaseerd en op 9 oktober 2023 afgevoerd door Rendac voor destructie. De minister heeft het afvoerverbod daarna met de brief van 13 november 2023 opgeheven.
Standpunt [naam 1]
2 [naam 1] voert aan dat de wilde zwijnen in zijn raster geen gehouden dieren waren, waardoor de wettelijke voorschriften niet op hem van toepassing waren. Hij heeft daarom de overtredingen niet begaan. [naam 1] vindt dat zijn zwijnen wilde dieren waren, omdat hij aan de voorwaarden van de Beleidsregel grof wild uit gesloten (omrasterde) gebieden met kenmerk VW-BR-01 (beleidsregel) van de NVWA voldeed en dan gelden er andere regels. Hij kon het aantal dieren niet verminderen door het afvoerverbod dat hem ten onrechte was opgelegd. [naam 1] verwijst naar de situatie ten aanzien van de wilde zwijnen in Stadspark Berg en Bos, Natuurpark Lelystad en van het Aardhuis. Uit een document verkregen uit een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur over inspecties van de NVWA bij Stadspark Berg en Bos en Natuurpark Lelystad, volgt volgens [naam 1] dat in deze gevallen de beleidsregel van toepassing is en dat sprake is van wild. Deze gevallen zijn volgens [naam 1] nagenoeg gelijk aan de situatie ten aanzien van zijn zwijnen. Net als bij [naam 1] zijn de rasters namelijk klein in verhouding tot het aantal dieren, worden de dieren gevoerd en hebben zij geen oormerken. De wilde zwijnen vertoonden in de nagenoeg gelijke gevallen bovendien geen vluchtgedrag en de wilde zwijnen van [naam 1] wel, terwijl dit een voorwaarde uit de beleidsregel is. [naam 1] verwijst verder naar filmpjes, foto’s en documenten van internet over de situatie ten aanzien van de wilde zwijnen in deze volgens [naam 1] nagenoeg gelijke gevallen.
Standpunt minister
3 De minister heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat [naam 1] in zijn bezwaarschrift stelt noch bewijst dat hij aan de voorwaarden voor het opheffen van het afvoerverbod heeft voldaan.
Beoordeling
Procesbelang?
4.1
Het College ziet zich vanwege de opheffing van het afvoerverbod ambtshalve voor de vraag gesteld of [naam 1] nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit (procesbelang).
4.2
Voor het antwoord op de vraag of er nog procesbelang bestaat, is van belang welk doel [naam 1] met zijn beroep wil bereiken. Dat doel moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en het resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische. Alleen maar een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een al verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding of als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten.
4.3
[naam 1] heeft op de zitting gesteld schade te hebben geleden door de weigering het afvoerverbod op te heffen, omdat hij hierdoor het aantal dieren niet kon verminderen. Hij heeft daarom voor meer dieren moeten zorgen dan hij wilde en hij kon geen dieren laten slachten voor eigen consumptie. Gelet hierop is het College van oordeel dat [naam 1] procesbelang heeft. Het College zal het beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit daarom hierna inhoudelijk beoordelen.
Heeft de minister het opheffingsverzoek terecht afgewezen?
5 Het College is van oordeel dat de minister het opheffingsverzoek terecht heeft afgewezen, omdat [naam 1] niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor opheffing van het afvoerverbod voldeed. Ook in beroep heeft [naam 1] dat niet gedaan. De beroepsgronden van [naam 1] zijn gericht tegen het afvoerverbod, maar de rechtmatigheid van dat verbod ligt hier niet voor zoals toegelicht onder 1.4. Het College kan de beroepsgronden van [naam 1] dus niet beoordelen. In deze zaak is enkel in geschil of het opheffingsverzoek mocht worden afgewezen en dat is naar het oordeel van het College het geval.
Conclusie
6 Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [naam 1] geen gelijk krijgt. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.M. Smorenburg en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. N.A. van Opbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
w.g. H.L. van der Beek w.g. N.A. van Opbergen

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten.