De vennootschap exploiteert een varkenshouderij en kreeg een bestuurlijke boete opgelegd omdat ongeveer 790 varkens niet permanent konden beschikken over geschikt materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, in strijd met artikel 2.22 van het Besluit houders van dieren. Na een inspectie door de NVWA op 8 juni 2022 stelde de minister een boete van €1.500,- vast. De vennootschap stelde beroep in tegen deze boete, stellende dat zij niet eerlijk was gehoord en dat de grondslag voor de boete was vervallen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vennootschap hoger beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College oordeelde dat de minister bevoegd was de boete op te leggen en dat de vennootschap voldoende gelegenheid had gehad om zich te verdedigen. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank bevoegd was en dat de procedure eerlijk was verlopen.
Verder stelde het College vast dat artikel 2.22 van het Besluit houders van dieren niet was vervallen als grondslag voor de boete, ondanks een tijdelijke weglating in een bijlage van de Regeling handhaving. De hoogte van de boete werd passend geacht gezien de ernst van de overtreding en het belang van dierenwelzijn. De vennootschap had geen gronden voor matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de boete bevestigd.