ECLI:NL:CBB:2026:332

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
24/116
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 Wet dierenArt. 1.7 Besluit houders van dierenArt. 5:21 AwbArt. 5:25 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen kostenbesluit bestuursdwang en verzoek schadevergoeding wegens inbeslagname paarden en pony’s

Naar aanleiding van een inspectie waarbij werd vastgesteld dat paarden en shetlandpony’s onvoldoende hooi ter beschikking hadden, legde de staatssecretaris een last onder bestuursdwang op aan [naam 1]. Ondanks hercontroles bleek niet aan de last te zijn voldaan, waarna de dieren in bewaring werden genomen en kosten van bestuursdwang werden opgelegd.

[naam 1] stelde beroep in tegen het kostenbesluit en verzocht om schadevergoeding wegens de inbeslagname. Het College oordeelde dat het bestuursdwangbesluit niet was bestreden en daarmee in rechte vaststond. De kosten van bestuursdwang waren daadwerkelijk gemaakt en niet onredelijk. Het verzoek om schadevergoeding kon niet door het College worden behandeld omdat de vermeende schade voortkomt uit feitelijk handelen en niet uit een besluit.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het College wees het verzoek om schadevergoeding af wegens onbevoegdheid. Tevens werd het ne bis in idem-beginsel verworpen omdat bestuursdwang een herstelsanctie is en geen strafrechtelijke sanctie. De toezichtrapporten werden als voldoende betrouwbaar beoordeeld ondanks betwisting door [naam 1].

Uitkomst: Het beroep tegen het kostenbesluit bestuursdwang wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt niet behandeld wegens onbevoegdheid.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/116

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] ( [naam 1] )

(gemachtigde: mr. H.F.A. Bronneberg)
en
staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (staatssecretaris)
(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)

Procesverloop in beroep

[naam 1] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 22 december 2023. Daarbij heeft [naam 1] het College verzocht de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van schade.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben te kennen gegeven af te zien van een mondelinge behandeling van de zaak. Het College heeft vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Inleiding

1.1
Naar aanleiding van een “144-melding” heeft een toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LID) op 2 november 2022 een inspectie uitgevoerd in het weiland en de schuren in [plaats] waar [naam 1] haar pony’s en paarden houdt. Tijdens deze inspectie zag de toezichthouder onder andere vermagerde shetlandpony’s en paarden. Voor de dieren was geen (ruw)voer aanwezig. Dit heeft de toezichthouder vastgelegd in het toezichtrapport van 8 november 2022 (toezichtrapport).
1.2
Op 10 november 2022 heeft de staatssecretaris aan [naam 1] een last onder bestuursdwang (bestuursdwangbesluit) opgelegd, omdat uit het toezichtrapport zou blijken dat [naam 1] het paard en de shetlandpony’s de benodigde medische zorg heeft onthouden. Dit is volgens de staatssecretaris een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7 onder c, van het Besluit houders van dieren (Bhd). [naam 1] moet vóór 18 november 2022 de volgende maatregel nemen:
“Ga met uw shetlandpony's en voskleurige paard naar een dierenarts voor onderzoek naar de algemene gezondheidstoestand of laat uw shetlandpony’s en paard ter plaatse door een dierenarts onderzoeken, waarbij u vooral laat kijken naar de wond, de vacht en de bolle buik van uw zwarte shetlandpony. En de voedingsconditie van de drie shetlandpony's en het voskleurige paard. Volg het behandelplan van de dierenarts op die de dierenarts heeft opgesteld voor de geconstateerde aandoening(en).”
1.3
Tijdens de eerste hercontrole op 18 november 2022 is [naam 1] niet aanwezig. In het toezichtrapport van 29 november 2022 (toezichtrapport eerste hercontrole) staat, voor zover van belang:
“Ik zag dat in een stal de voskleurige shetlandpony stond. Ik zag dat deze pony zeer mager was en lusteloos in een hoek van de stal stond. Ik zag dat de pony niet reageerde op onze aanwezigheid. Ik zag dat in de stal een voerbak met brokken en maïsvlokken stond en dat er hooi aanwezig was in de stal. Ik zag dat het voskleurige paard dat buiten stond geen hooi ter beschikking had, ik zag dat het paard nog steeds in het modderige weiland stond,
[…]
Omdat er niemand thuis was en het ons niet bekend was of betrokkene [naam 1] een dierenarts had geraadpleegd voor haar paarden, heb ik telefonisch contact opgenomen met betrokkene [naam 1] . […] Tevens hoorde ik dat ze zei dat gisteren 17 november 2022, dierenarts [naam 2] ter plaatse was geweest voor onderzoek aan de pony's en het paard. Ik hoorde dat ze zei dat de dierenarts bloed had afgenomen van de voskeurige shetlandpony en dat hij voedingsadvies had gegeven voor de twee shetlandpony's en het voskleurige paard.
[…]
Ik heb hierop telefonisch contact opgenomen met dierenarts [naam 2] . Ik hoorde dat hij zei dat hij inderdaad op 17 november 2022, ter plaatse was geweest. Ik hoorde dat hij zei dat hij vermoedde dat de dieren te mager waren door ondervoeding. Ik hoorde dat hij zei dat hij bloed had afgenomen van de voskleurige pony en nog in afwachting was van de bloeduitslagen. Ik hoorde dat hij zei dat hij voedingsadvies had gegeven en dat hij had aangegeven dat alle drie de paarden twee keer per dag per dag krachtvoer met maïsvlokken moesten krijgen en dat de paarden te allen tijde onbeperkt hooi ter beschikking moeten hebben.
[…]
Omdat het voskleurige paard geen hooi ter beschikking had, heb ik op 18 november 2022, omstreeks 14.20 uur, telefonisch contact opgenomen met de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO). Ik heb mijn voornoemde bevindingen kenbaar gemaakt en ik kreeg toestemming van de medewerker van RVO om het voskleurige paard hooi te geven
[…]
Betrokkene [naam 1] heeft niet voldaan aan het behandelplan van dierenarts [naam 2] […].”
1.4
Bij brief van 30 november 2022 laat de staatssecretaris [naam 1] weten dat zij niet heeft voldaan heeft aan de maatregelen uit het bestuursdwangbesluit. Haar dierenarts had aangegeven dat de shetlandpony’s en het paard altijd onbeperkte toegang moesten hebben tot hooi. Uit het toezichtrapport van de eerste hercontrole blijkt dat [naam 1] hier niet aan heeft voldaan.
1.5
Op 24 januari 2023 vindt de tweede hercontrole plaats. Tijdens deze controle constateert de toezichthouder soortgelijke omstandigheden als tijdens de eerste hercontrole. In het toezichtrapport van 25 januari 2023 (toezichtrapport tweede hercontrole) staat, voor zover van belang, het volgende:
“Ik zag dat de voskleurige shetlandpony in een stal stond. […] Ik zag dat er op het terrein helemaal geen hooi aanwezig was voor de paarden. [...] Ik zag dat de pony geen beschikking had over hooi en drinkwater. Ik heb hierop samen met [naam 3] de pony water gegeven om de dorstproef uit te voeren, ik zag dat de pony meteen gulzig begon te drinken.
[…]
Ik zag dat de paarden alle drie geen beschikking hadden over hooi, of ander voer. […] Ik zag dat de pallet, waarop ik tijdens de controle op 18 november 2022 hooi had aangetroffen, nu leeg was. Ik zag enkele lege zakken “tophay” liggen.
[…]
Ik heb hierop telefonisch contact opgenomen met de medewerkster van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland en mijn bevindingen kenbaar gemaakt. Ik hoorde dat de medewerkster zei dat ik de maatregel uit het besluit G2022009924 ter plaatse
kom herstellen. Ik heb hierop een ruime hoeveelheid hooi gehaald, om ervoor te zorgen dat de paarden weer voldoende hooi ter beschikking hadden. Toen ik dit hooi uit de verpakking haalde, zag ik dat het voskleurige paard tegen het hek duwde, en wederom steigerde. Het paard maakte op mij de indruk dat het zeer hongerig was. Toen ik het hooi aan het voskleurige paard en de zwarte pony verstrekte begonnen ze direct gulzig te eten. Ook de voskleurige shetlandpony in de stal begon direct gulzig te eten van het hooi.”
1.6
Bij brief van 25 januari 2023 laat de staatssecretaris aan [naam 1] weten dat zij niet voldaan heeft aan de maatregelen uit het bestuursdwangbesluit. Wanneer bij een volgende controle blijkt dat [naam 1] zich niet houdt aan de opgelegde maatregel zullen de dieren in bewaring worden genomen.
1.7
Op 27 januari 2023 vindt de derde hercontrole plaats. Tijdens deze hercontrole treft de toezichthouder vergelijkbare omstandigheden aan als tijdens de eerdere hercontroles. In het toezichtrapport van 1 februari 2023 (toezichtrapport derde hercontrole) staat:
“Ik zag dat de pony geen beschikking had over hooi. Ik zag dat de paarden alle drie geen beschikking hadden over hooi, of ander voer. […] De paarden hadden nu wederom niets te eten. […]
Ik heb hierop telefonisch contact opgenomen met de medewerkster van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland en mijn bevindingen kenbaar gemaakt. Ik hoorde dat de medewerkster zei dat er wederom niet was voldaan aan de maatregel uit het besluit G2022009924 en dat ze mij opdracht gaf om de drie paarden in bewaring te nemen.
[…]
De twee shetlandpony's en het paard zijn vervolgens overgedragen aan de opslaghouder.”
1.8
Op 31 januari 2023 laat de staatssecretaris aan [naam 1] weten dat zij niet voldaan heeft aan de maatregel uit het bestuursdwangbesluit, dat de twee shetlandpony’s en het paard in bewaring zijn genomen en dat de staatssecretaris de opvangkosten van deze dieren op [naam 1] zal verhalen.
1.9
Bij brief van 8 februari 2023 laat de staatssecretaris aan [naam 1] weten dat uit nader onderzoek bij de opslaghouder blijkt dat het in beslag genomen paard niet te mager of schraal was. Dit dier is ten onrechte in beslag genomen en de kosten daarvan zullen ook niet op [naam 1] worden verhaald. Om de shetlandpony’s terug te krijgen moet [naam 1] vóór
14 februari 2023 de geschatte opvangkosten van € 2801,- betalen. Ook moet de geplande huisvesting van de pony’s in orde zijn en dient er voldoende ruwvoer aanwezig te zijn. De huisvesting zal door een districtinspecteur worden beoordeeld. [naam 1] heeft de genoemde geschatte opvangkosten betaald.
1.1
Op 10 juli 2023 brengt de staatssecretaris € 173,74 bij [naam 1] in rekening vanwege de toegepaste bestuursdwang (kostenbesluit). Bij dit bedrag zijn de door [naam 1] betaalde geschatte opvangkosten al verrekend.
1.11
In de beslissing op bezwaar van 22 december 2023 is het bezwaar van [naam 1] tegen het kostenbesluit ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft daarbij – voor zover voor het beroep van belang – overwogen dat [naam 1] niet is opgekomen tegen het bestuursdwangbesluit, waardoor dit besluit in rechte vaststaat. Tijdens de drie hercontroles is gebleken dat het paard en de shetlandpony’s geen onbeperkte toegang hadden tot hooi. Omdat de last inhield dat [naam 1] het advies van de dierenarts moest opvolgen en de dierenarts had geadviseerd dat de shetlandpony’s en het paard onbeperkte toegang tot hooi moesten hebben, heeft [naam 1] niet aan de last voldaan en mocht de staatssecretaris bestuursdwang toepassen. Volgens de staatssecretaris mag worden uitgegaan van de bevindingen in het toezichtrapport. Dat de toezichthouder een derde stal waarin wel hooi aanwezig zou zijn, niet heeft gezien tijdens meerdere (her)controles is niet onderbouwd, terwijl de toezichthouder expliciet heeft opgenomen dat er op het terrein geen hooi aanwezig was. [naam 1] heeft ook nooit gewezen op het bestaan van een derde stal toen zij aanwezig was of toen er telefonisch contact met haar is gezocht. De verhaalde kosten zijn volgens de staatssecretaris daadwerkelijk gemaakt en onderbouwd met facturen. Het bedrag dat [naam 1] heeft betaald om de shetlandpony’s terug te krijgen, is al in mindering gebracht en hoeft dus niet aan [naam 1] te worden terugbetaald.
1.12
Op 18 januari 2024 heeft de staatssecretaris beslist op het verzoek van [naam 1] van 12 april 2023 om schadevergoeding. Hierbij heeft de staatssecretaris [naam 1] een schadevergoeding van € 207,10 toegekend. Dit bedrag is toegekend wegens de bacteriële infectie die het paard na teruggave aan [naam 1] bleek te hebben. Gezien de incubatietijd acht de staatssecretaris het aannemelijk dat de infectie bij de opslaghouder is ontstaan. Alle overige door [naam 1] aangedragen schadeposten worden niet vergoed.
1.13
Op 3 maart 2026 is [naam 1] door de strafrechter in hoger beroep veroordeeld, omdat zij in de periode tussen 6 november 2022 tot en met 24 januari 2023 een shetlandpony de nodige verzorging heeft onthouden en daarmee artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren heeft overtreden. De strafrechter heeft [naam 1] daarbij een voorwaardelijke taakstraf en een proeftijd van twee jaren opgelegd.

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

3 Aan de orde is de vraag of de staatssecretaris de shetlandpony’s in bewaring mocht nemen en de kosten van de toegepaste bestuursdwang op [naam 1] mocht verhalen. Het College beantwoordt beide vragen bevestigend. Dat betekent dat [naam 1] geen gelijk krijgt en de beslissing op bezwaar in stand blijft. Daarnaast heeft [naam 1] een schadevergoedingsverzoek ingediend. Het College is echter onbevoegd om van dit verzoek kennis te nemen. Hieronder licht het College zijn oordeel toe.
Veroordeling door de strafrechter
4.1
[naam 1] doet een beroep op het ne bis in idem-beginsel voor zover de last onder bestuursdwang is toegepast op de zwarte shetlandpony. [naam 1] is al door de strafrechter in hoger beroep veroordeeld, omdat zij aan deze pony de nodige verzorging heeft onthouden. Op basis van het ne bis in idem-beginsel mag zij niet twee keer worden gestraft voor hetzelfde feit.
4.2
Het College volgt [naam 1] niet in haar stelling dat de staatssecretaris handelt in strijd met het ne bis in idem-beginsel, omdat zij bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch strafrechtelijk is veroordeeld wegens het onthouden van de nodige verzorging aan de zwarte shetlandpony. Het ne bis in idem-beginsel houdt een verbod op dubbele bestraffing in. Dit betekent, voor zover hier van belang, dat er niet twee bestraffende sancties mogen worden opgelegd voor één overtreding. Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie, zo blijkt uit artikel 5:21 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is geen bestraffende sanctie. De invordering van de kosten van bestuursdwang kan evenmin worden gezien als (de tenuitvoerlegging van) een bestraffende sanctie. Van een dubbele bestraffing en strijd met het ne bis in idem-beginsel is dus geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestuursdwangbesluit
5.1
Volgens [naam 1] kan haar niet worden verweten dat zij niet tegen het bestuursdwangbesluit is opgekomen. Het bestuursdwangbesluit is naar een adres gestuurd waar zij alleen nog ingeschreven stond, maar niet meer woonde. Daarnaast stelt [naam 1] zich op het standpunt dat zij geen overtreding heeft begaan. Volgens [naam 1] klopt het niet dat de shetlandpony’s geen voedsel hadden. Dat de shetlandpony’s te mager waren komt doordat [naam 1] hen nog maar kort in haar bezit had en zij bij aankomst al mager waren. Bovendien heeft een van de shetlandpony’s gebitsproblemen waardoor eten moeilijk gaat.
5.2
Het College oordeelt als volgt. Dat [naam 1] haar inschrijving op het oude adres niet heeft aangepast, terwijl zij inmiddels was verhuisd, komt voor haar eigen rekening en risico. De staatssecretaris heeft op de nog bestaande adresgegevens mogen afgaan en het bestuursdwangbesluit naar dat adres mogen versturen.
5.3
Het College stelt vast dat [naam 1] alleen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar waarbij de staatssecretaris het bezwaar van [naam 1] tegen het kostenbesluit ongegrond heeft verklaard. Zij heeft geen bezwaar gemaakt of beroep ingesteld tegen het bestuursdwangbesluit. Dit betekent dat het bestuursdwangbesluit – en de daarin geconstateerde overtredingen – in rechte is komen vast te staan en ten grondslag kon worden gelegd aan het naar aanleiding daarvan genomen kostenbesluit waartegen het beroep van [naam 1] is gericht. Een belanghebbende kan in een procedure tegen een kostenbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen het bestuursdwangbesluit naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen anders zijn. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is (zie de uitspraak van het College van 9 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:454, waarin wordt verwezen naar de overeenkomstige rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State). Een ander uitzonderlijk geval kan de onuitvoerbaarheid van een last betreffen. De opgelegde last blijkt dan om technische of juridische redenen evident niet uitvoerbaar te zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1405)). Niet is gebleken dat hier sprake is van een uitzonderlijk geval zoals hiervoor bedoeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de staatssecretaris aannemelijk gemaakt dat [naam 1] niet heeft voldaan aan de maatregel?
6.1
De toezichtrapporten van de drie hercontroles zijn volgens [naam 1] onjuist, onvolledig en gebrekkig. Volgens [naam 1] klopt het niet dat de shetlandpony’s geen voedsel hadden. Zij had grote hoeveelheden hooi en voer ingekocht, maar bij de hercontroles heeft de toezichthouder de derde stal waarin het hooi lag over het hoofd gezien. In de lokale krant wordt melding gemaakt van deze zaak. Hierbij is ook een foto geplaatst van het paard met op de achtergrond een berg hooi. Daarnaast heeft [naam 1] aanvankelijk het voedingsadvies van de dierenarts opgevolgd, maar is hiermee gestopt toen een van de shetlandpony’s koliek kreeg. Dat [naam 1] geen dierenarts consulteerde, of de adviezen niet opvolgde zoals wordt gesuggereerd, is dan ook onjuist. Ook is er geen sprake van een eerlijke weergave van wat er gebeurd is. In januari 2023 hebben agenten gezien dat [naam 1] de dieren aan het verzorgen was. Zij gaven aan alleen even de koeien in het naastgelegen weiland te willen aaien. Volgens [naam 1] is dit een misleidende opmerking. Ze gaat ervan uit dat de patrouille bedoeld was om haar te controleren. Dat pas bij de opslaghouder werd vastgesteld dat het paard niet te mager was, zegt iets over de kwaliteit van de inspecties en de rapportages. Tot slot voert [naam 1] aan dat er een hetze tegen haar gaande is en dat de toezichthouder zou hebben gezegd dat het paard en de shetlandpony’s in bewaring zijn genomen omdat ze de telefoontjes beu waren.
6.2
De staatssecretaris heeft de toezichtrapporten van de drie hercontroles ten grondslag gelegd aan de inbewaringname op 27 januari 2023 van de shetlandpony’s. Volgens vaste rechtspraak van het College (zie onder andere de uitspraak van 31 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:130)) mag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een door een toezichthouder op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen bevindingen van de toezichthouder weergeven. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Als het toezichtrapport, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe, dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat het bestuursorgaan zijn besluit niet (uitsluitend) op het toezichtrapport mocht baseren. Het College betrekt hierbij dat dit rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van wat hij heeft waargenomen.
6.3
In wat [naam 1] naar voren heeft gebracht ziet het College geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de toezichtrapporten van de drie hercontroles. De last hield namelijk in dat [naam 1] het voedingsadvies van de dierenarts moest opvolgen. De dierenarts heeft geadviseerd dat de shetlandpony’s te allen tijde de beschikking moesten hebben over hooi. Zelfs als de toezichthouder gedurende de drie hercontroles al een stal met hooi over het hoofd zou hebben gezien, betekent dit nog steeds dat het hooi niet ter beschikking van de shetlandpony’s stond, terwijl dit op basis van het voedingsadvies van de dierenarts en daarmee op basis van de last wel moest. Dat de toezichthouder een stal met hooi meerdere malen over het hoofd heeft gezien acht het College bovendien niet aannemelijk. [naam 1] was namelijk aanwezig tijdens de derde hercontrole en gedurende de eerste hercontrole heeft de toezichthouder met [naam 1] gebeld. Op die momenten had [naam 1] kunnen wijzen op de bedoelde stal met hooi. Dat [naam 1] zich niet aan de last heeft gehouden ziet het College bovendien bevestigd in het verslag dat de dierenarts op 28 januari 2023 heeft opgesteld toen hij de shetlandpony’s heeft onderzocht nadat zij in bewaring waren genomen. Uit dit rapport blijkt dat de shetlandpony’s een Body Condition Score hadden van 1 en 1.5. Dit is een uitermate lage score waardoor het aannemelijk is dat de shetlandpony’s gedurende langere tijd onvoldoende voeding hebben gekregen. Dat het paard en de shetlandpony’s alleen in bewaring zijn genomen omdat de toezichthouder de meldingen moe was, is niet onderbouwd. De beroepsgronden slagen niet.
Kostenbesluit
7.1
Volgens [naam 1] zijn de in het kostenbesluit genoemde transportkosten voor het paard niet in lijn met de indicatieve kosten.
7.2
Het College stelt vast dat de staatssecretaris de kosten die betrekking hebben op de inbewaringname van het paard niet op [naam 1] heeft verhaald. Het College begrijpt het standpunt van [naam 1] zo, dat zij de kosten die wel op haar zijn verhaald niet in lijn vindt met de indicatieve kostentabel die als bijlage bij de brief van 31 januari 2023 is gevoegd.
7.3
In artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de overtreder behoren te komen.
7.4
Het College stelt vast dat bij de brief van 31 januari 2023 een bijlage was gevoegd met daarin opgenomen de indicatieve kosten voor de opvang van verschillende soorten dieren, waaronder paarden en pony’s. In deze tabel zijn geen richtbedragen voor transport- en medische kosten opgenomen. Wel staat in deze bijlage dat de werkelijke kosten in rekening zullen worden gebracht. De kosten die door de staatssecretaris in het kostenbesluit in rekening zijn gebracht, zijn de daadwerkelijk gemaakte kosten. De staatssecretaris heeft deze kosten onderbouwd met facturen. Ook acht het College de hoogte van deze bedragen niet onredelijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding
8.1
[naam 1] verzoekt om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij heeft geleden door de inbeslagname van het paard en de shetlandpony’s. [naam 1] begroot de schade op minimaal € 16.716,60.
8.2
Op grond van artikel 8:91, eerste lid, van de Awb wordt het schadevergoedingsverzoek, indien dit wordt gedaan gedurende het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit, ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep aanhangig is. In deze beroepsprocedure staat het beroep tegen het kostenbesluit centraal. Het kostenbesluit is echter niet het schadeveroorzakende besluit zoals bedoeld in artikel 8:91, eerste lid van de Awb, zodat behandeling van het schadeverzoek niet op deze grond plaats kan vinden.
8.3
Op grond van artikel 8:90, eerste lid, van de Awb, kan een appellant ook een zelfstandig verzoek om schadevergoeding doen bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. De door [naam 1] genoemde schadeposten hebben allemaal betrekking op het in bewaring nemen en wegvoeren van het paard en de shetlandpony’s en daarmee op de feitelijke uitvoering van de bestuursdwang. Het gaat dus om mogelijke schade die is ontstaan door het feitelijk handelen en niet om mogelijke schade die is veroorzaakt door een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid aanhef en onder a, van de Awb. Dat betekent dat niet het College, maar de burgerlijke rechter bevoegd is om hierover te oordelen. Het College zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
Slotsom
9 Het College zal het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaren. Dat betekent dat [naam 1] geen gelijk krijgt en de beslissing op bezwaar in stand blijft. De staatssecretaris hoeft daarom geen proceskosten te vergoeden.
10 Het College zal zich onbevoegd verklaren om van het verzoek om schadevergoeding van [naam 1] kennis te nemen.

Beslissing

Het College verklaart:
  • het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond.
  • zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. R.W.L. Koopmans en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
21 juli 2026.
J.L.W. Aerts w.g. E.M.M.A. Driessen
de voorzitter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd
Artikel 8:90
1. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.
2. Ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift vraagt de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd
Artikel 8:91
1. Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is.
2. In dat geval is artikel 8:90, tweede lid, niet van toepassing.
3. Indien het verzoek wordt gedaan in hoger beroep beslist de hogerberoepsrechter op het verzoek, tenzij hij het verzoek naar de rechtbank verwijst omdat het naar zijn oordeel behandeling door de rechtbank behoeft
Wet Dieren
Artikel 2.2, achtste lid
8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
Artikel 8.5
Onze Staatssecretaris is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Besluit houders van dieren
Artikel 1.7 sub c
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
[…]
c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;
[…]