De onderneming exploiteert een champignonkwekerij en kreeg een boete opgelegd wegens het niet laten bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van 65 vrachten champost, in strijd met artikel 77, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. De minister matigde de boete aanvankelijk met 50% en nogmaals met 10% wegens termijnoverschrijding. De rechtbank verklaarde het beroep van de onderneming ongegrond en bevestigde de verantwoordelijkheid van de onderneming voor de bemonstering.
In hoger beroep betoogde de onderneming dat zij door inschakeling van een geregistreerde intermediair was ontslagen van die verantwoordelijkheid en dat het milieu niet was geschaad omdat de afnemer de champost wel bemonsterde. Het College volgde dit niet en bevestigde dat elke schakel in de keten zelfstandig verantwoordelijk is voor verantwoording en bemonstering, essentieel voor milieubescherming en naleving van gebruiksnormen.
Het College matigde de boete verder tot € 1.667,25 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij rekening werd gehouden met eerdere matigingen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft, het boetebesluit werd herroepen en de boete vastgesteld op het gematigde bedrag. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de onderneming. De uitspraak benadrukt het belang van transparantie en verantwoording in de meststofketen en bevestigt de strikte naleving van de Meststoffenwet en haar uitvoeringsregels.