ECLI:NL:CBB:2026:37

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24/638, 25/136 en 25/137
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WmgArt. 56a WmgArt. 4:84 AwbArt. 3:2 AwbArt. 1 Wmg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beschikbaarheidbijdrage spoedeisende hulp ziekenhuizen Saxenburgh en WZA

Saxenburgh en WZA hebben bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aanvragen ingediend voor een beschikbaarheidbijdrage voor hun spoedeisende hulp (SEH) afdelingen voor de jaren 2024 en 2025. De NZa wees deze aanvragen af omdat de SEH’s van deze ziekenhuizen volgens de RIVM-bereikbaarheidsanalyse niet als 'gevoelig' worden aangemerkt, een vereiste voor het verkrijgen van de bijdrage.

De ziekenhuizen stelden dat de minister buiten zijn bevoegdheid trad met de aanwijzing die de RIVM-analyse als maatstaf hanteert en dat de NZa onvoldoende rekening hield met bijzondere omstandigheden zoals tijdelijke sluitingen en presentatiestops in de regio, waardoor hun SEH’s feitelijk wel gevoelig zouden zijn. Het College oordeelde dat de aanwijzing geen betrekking heeft op individuele zorgaanbieders en dat de RIVM-analyse een juiste en relevante methode is om gevoeligheid te bepalen.

Verder concludeerde het College dat de NZa terecht geen uitzondering maakte op basis van bijzondere omstandigheden, omdat de tijdelijke sluiting van de SEH in Meppel niet relevant was voor de jaren 2024 en 2025 en er geen andere feiten waren die afweken van de modelmatige analyse. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel faalde. De beroepen werden ongegrond verklaard en de NZa hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De beroepen van Saxenburgh en WZA tegen de afwijzing van hun aanvragen voor beschikbaarheidbijdrage SEH worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 24/638, 25/136 en 25/137

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen

Stichting Saxenburgh Groep, te Hardenberg (Saxenburgh)

Stichting Wilhelmina Ziekenhuis Assen, te Assen (WZA) (gemachtigde: mr. T.A.M. van den Ende)

en

de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

(gemachtigden: mr. K.J.A. Meijer en mr. A.G.K. van der Poel-Lutters)

Procesverloop

Zaaknummer 24/638
Met het besluit van 12 december 2023 heeft de NZa de aanvraag van Saxenburgh om een beschikbaarheidbijdrage Spoedeisende Hulp (SEH) voor het jaar 2024 afgewezen.
Met het besluit van 21 juni 2024 (bestreden besluit 1) heeft de NZa het bezwaar van Saxenburgh tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
Saxenburgh heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
De NZa heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Zaaknummer 25/136
Met het besluit van 28 november 2024 (bestreden besluit 2) heeft de NZa de aanvraag van Saxenburgh om een beschikbaarheidbijdrage SEH voor het jaar 2025 afgewezen.
Zaaknummer 25/137
Met het besluit van 18 november 2024 (bestreden besluit 3) heeft de NZa de aanvraag van WZA om een beschikbaarheidbijdrage SEH voor het jaar 2025 afgewezen.
Zaaknummers 25/136 en 25/137Saxenburgh en WZA hebben tegen de bestreden besluiten 2 en 3 rechtstreeks beroep ingesteld.
De NZa heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Alle drie de zaaknummers
De zitting was op 4 december 2025. De zaken zijn gezamenlijk behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] en dr. [naam 3] namens Saxenburgh en [naam 4] namens WZA, bijgestaan door mr. T.A.M. van den Ende, en mr. K.J.A. Meijer, mr. A.G.K. van der Poel-Lutters en mr. [naam 5] namens de NZa. De NZa heeft ir. [naam 6] van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) meegebracht als deskundige.

Overwegingen

Inleiding, geschil en oordeel
1.1
De kosten van het permanent (‘24/7’) open (‘beschikbaar’) hebben van een spoedeisende eerste hulp (SEH) kunnen niet rechtstreeks aan zorg(-producten) voor individuele patiënten worden toegerekend. Voor de bekostiging daarvan kan de NZa op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) daarom een subsidie, een zogenoemde beschikbaarheidbijdrage, toekennen. Saxenburgh en WZA hebben voor de SEH van hun ziekenhuizen in Hardenberg en Assen zo’n beschikbaarheidbijdrage aangevraagd. De NZa heeft deze aanvragen afgewezen, omdat een beschikbaarheidbijdrage alleen voor een SEH van een ‘gevoelig ziekenhuis’ kan worden toegekend. ‘Gevoelig’ wil zeggen dat spoedeisende hulp op de desbetreffende locatie noodzakelijk moet zijn om ervoor te zorgen dat de bestaande bereikbaarheidssituatie niet verslechtert. Saxenburgh en WZA voldoen volgens de NZa niet aan deze voorwaarde.
1.2
De NZa hanteert voor het vaststellen van de gevoeligheid van een ziekenhuis de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Op basis van die analyse zijn de SEH’s van Saxenburgh en WZA niet aan te merken als ‘gevoelig’. Saxenburgh en WZA vinden dat de NZa niet mag uitgaan van de analyse van het RIVM. Als de NZa dat wél doet, moet zij in het geval van Saxenburgh en WZA een uitzondering maken wegens bijzondere omstandigheden. Het College volgt Saxenburgh en WZA niet in dit betoog en stelt de NZa in het gelijk.
1.3
Hieronder legt het College uit wat het beoordelingskader is en zet het de achtergrond van de geschillen uiteen. Daarna worden de standpunten van partijen samengevat weergegeven en volgt de beoordeling.
Beoordelingskader
2.1
Op grond van artikel 56a van de Wmg kan een beschikbaarheidbijdrage worden toegekend voor bepaalde vormen van zorg. Eén van de vormen van zorg waarvoor een beschikbaarheidbijdrage kan worden toegekend is de SEH. Dat volgt uit artikel 2 van Pro het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG (Besluit beschikbaarheidbijdrage) en de bijlage, onderdeel B, aanhef en onder 7. Voor het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage voor SEH gelden als cumulatieve voorwaarden dat (-) sluiting van de afdeling SEH het aantal inwoners in Nederland dat niet binnen 45 minuten een afdeling SEH per ambulance kan bereiken, doet toenemen en (-) de spoedeisende hulp 7 × 24 uur beschikbaar is.
2.2
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmg bepaalt dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister) de zorgautoriteit een algemene aanwijzing kan geven met betrekking tot, kort gezegd, de toekenning van beschikbaarheidbijdragen. Op grond van het vierde lid van artikel 7 van Pro de Wmg heeft een aanwijzing geen betrekking op een individuele zorgaanbieder, ziektekostenverzekeraar of consument.
2.3
Op grond van artikel 4 van Pro de Aanwijzing wijziging personele eisen beschikbaarheidbijdrage SEH artsen (Stcrt. 2017, nr. 24121) van de minister verstrekt de NZa een beschikbaarheidbijdrage voor SEH uitsluitend onder de voorwaarde dat die bijdrage tot doel heeft een dreigende verslechtering in de bereikbaarheid te voorkomen ten opzichte van de in 2013 bestaande landelijke situatie, uitgaande van gevoeligheid voor de zogenaamde 45-minuten bereikbaarheidsnorm. In de toelichting bij deze aanwijzing staat over deze bereikbaarheidsnorm het volgende:
“[…] Ingevolge het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG is het mogelijk een beschikbaarheidbijdrage te verstrekken aan ziekenhuizen voor het beschikbaar houden van een SEH indien de opbrengsten uit tarieven daarvoor niet toereikend zijn. De NZa kan aan een ziekenhuis voor een SEH alleen een beschikbaarheidbijdrage toekennen als deze daarvoor op grond van een bereikbaarheidsanalyse van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in aanmerking kan komen. Dat hangt samen met de voorwaarde dat een beschikbaarheidbijdrage enkel voor een SEH van een 'gevoelig ziekenhuis' kan worden toegekend. Voor deze ziekenhuizen verstrekt de NZa een beschikbaarheidbijdrage voor SEH-zorg uitsluitend onder de voorwaarde dat daarmee wordt bereikt dat geen verslechtering in bereikbaarheid optreedt ten opzichte van de in 2013 bestaande landelijke situatie. Met andere woorden: spoedeisende hulp op die locatie moet noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de huidige bereikbaarheidssituatie niet verslechtert. Om de bereikbaarheid van ziekenhuizen met een spoedeisende hulp, die voldoet aan de geldende normen, te beoordelen wordt uitgegaan van de zogenaamde 45-minutennorm. De norm stelt dat iedereen binnen 45 minuten naar een spoedeisende hulp vervoerd moet kunnen worden. De spoedeisende hulp van een ziekenhuis kan noodzakelijk zijn voor de bereikbaarheid binnen de 45 minuten in die situaties dat de sluiting van de spoedeisende hulp van dit ziekenhuis tot gevolg heeft dat vergeleken met de landelijke situatie in 2013 een aantal mensen niet meer binnen de norm naar een spoedeisende hulp vervoerd kan worden. […]”
2.4
Dat de NZa voor de vaststelling van de gevoeligheid voor de 45-minutennorm de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM hanteert, volgt uit de Beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage op aanvraag (Beleidsregel). In artikel 7 van Pro die Beleidsregel is bepaald dat de SEH gevoelig moet zijn voor de 45-minutennorm volgens de meest relevante analyse van het RIVM om in aanmerking te komen voor de verstrekking van een beschikbaarheidbijdrage. In de toelichting bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage wordt ook verwezen naar de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM (zie de nota van toelichting bij het Besluit van 17 maart 2017, houdende wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met het vervallen van niet noodzakelijke personele eisen voor spoedeisende hulp, Stb. 2017, 133).
2.5
De meest relevante analyse voor de beschikbaarheidbijdrage SEH over jaar “t” (het jaar waarvoor de beschikbaarheidbijdrage wordt gevraagd) is op grond van artikel 7 van Pro de Beleidsregel de bereikbaarheidsanalyse van het jaar t-1 die jaarlijks door het RIVM wordt uitgebracht. De NZa gaat dus uit van de bereikbaarheidsanalyse van het jaar vóór het jaar waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd. Naast de voorwaarde dat de SEH gevoelig is voor de 45-minutennorm volgens deze analyse, moet de SEH voldoen aan de geldende (minimum)normen die worden gesteld aan een SEH en moet de SEH onvoldoende inkomsten uit de tarieven hebben om de kosten van de SEH te dekken.
Achtergrond van de geschillen
Zaaknummer 24/638
3.1
Saxenburgh heeft ten behoeve van de SEH van Saxenburgh Medisch Centrum te Hardenberg (SMC) voor het jaar 2024 een beschikbaarheidbijdrage van € 2.333.682,21 aangevraagd. Saxenburgh heeft daarbij vermeld dat het niet om een gevoelig ziekenhuis gaat en dat er onvoldoende inkomsten zijn. In de aanvraag is toegelicht dat omliggende ziekenhuizen in 2023 geregeld hebben afgeschaald en ook tijdelijk gesloten zijn geweest voor zorg en beschikbaarheid van acute zorg. Hierdoor is een aanvullend beroep gedaan op de spoedeisende hulp in SMC en de verwachting is dat deze trend zich in 2024 zal voortzetten. Het gaat niet alleen om zorg uit de eigen regio, maar ook om zorg uit Twente en Drenthe. De stijging van het spoedeisende hulpcontact vanuit de regio's Drenthe en Twente is substantieel hoger dan de totale stijging binnen SMC, aldus Saxenburgh in de aanvraag. Saxenburgh stelt zich op het standpunt dat als een omliggende SEH (in haar regio) uitvalt, zij gevoelig wordt.
3.2
Aan de afwijzing van de aanvraag ligt ten grondslag dat de SEH van SMC niet gevoelig is voor de 45-minutennorm volgens de meest relevante analyse van het RIVM van 8 juni 2023. In het bestreden besluit 1 heeft de NZa zich op het standpunt gesteld dat zij mocht uitgaan van de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Dat daarvoor geen grondslag bestaat in de geldende wet- en regelgeving, zoals Saxenburgh betoogt, volgt de NZa niet.
3.3
De NZa heeft ook geen aanleiding gezien om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de voorwaarde dat Saxenburgh gevoelig moet zijn voor de 45-minutennorm volgens de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. De NZa gaat niet mee in de stelling van Saxenburgh dat zij feitelijk wel een gevoelig ziekenhuis was. De tijdelijke nachtelijke sluiting van de SEH van het Isala Ziekenhuis in Meppel van 1 februari 2023 tot 1 april 2023, waarop Saxenburgh een beroep heeft gedaan, maakt dat voor de NZa niet anders. Hierbij heeft de NZa toegelicht dat de Bereikbaarheidsanalyse nachtelijke sluiting SEH Meppel van het RIVM, waarvan de conclusie is dat bij een tijdelijke nachtelijke sluiting van deze SEH zowel SMC in Hardenberg als het Wilhelminaziekenhuis in Assen gevoelig worden, een ander doel had dan de jaarlijkse bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. De verplichting de analyse van de gevolgen van de sluiting van de SEH in Meppel op te stellen volgt uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz en de bijbehorende Uitvoeringsregeling. Bovendien viel die sluiting vóór de peildatum voor de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Die lag na 5 april 2023. Verder is het niet zo dat op basis van gegevens van feitelijk gereden ambulanceritten moet vaststaan dat de 45-minutennorm gehaald kan worden, aldus de NZa. Het RIVM gaat uit van een rijtijdenmodel waarbij wordt gemeten met (gemiddelde) snelheden en niet met daadwerkelijke rijtijden. De NZa stelt dat voor de beoordeling van de 45-minutennorm gebruik kan worden gemaakt van het model van het RIVM en verwijst hierbij naar de uitspraak van het College van 9 februari 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:30). Uit het jaarverslag 2023 van Saxenburgh en de door haar aangeleverde gegevens heeft de NZa niet kunnen afleiden dat haar financiële positie dusdanig is dat het afwijzen van het verzoek voor haar onevenredig nadelige gevolgen met zich brengt.
Zaaknummer 25/136
3.4
Ook voor het jaar 2025 heeft Saxenburgh een beschikbaarheidbijdrage aangevraagd en wel voor een bedrag van € 1.775.344,78. In de toelichting heeft Saxenburgh herhaald dat omliggende ziekenhuizen, ook uit aangrenzende regio’s, geregeld een beroep doen op de SEH en dat SMC feitelijk gevoelig wordt voor de norm van spoedeisende hulp als ze spoedeisende hulp overneemt van ziekenhuizen die deze zorg (tijdelijk) niet kunnen leveren. De NZa heeft de aanvraag voor 2025 op dezelfde grond afgewezen als die voor 2024. In de RIVM-analyse van 11 juni 2024 wordt SMC niet aangemerkt als een gevoelig ziekenhuis voor SEH en daarom komt Saxenburgh niet in aanmerking voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage.
Zaaknummer 25/137
3.5
WZA heeft voor haar SEH voor het jaar 2025 een beschikbaarheidbijdrage aangevraagd voor een bedrag van € 1.977.473,68. WZA heeft er daarbij op gewezen dat de kosten van de SEH-artsen en de materiële kosten en overhead samen al boven de opbrengsten voor de SEH liggen. Ook de afwijzing van deze aanvraag is erop gebaseerd dat WZA in de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM van 11 juni 2024 niet wordt aangemerkt als een gevoelig ziekenhuis.
Standpunten van partijen
4.1.1
Saxenburgh en WZA voeren ten eerste aan dat de minister in zijn aanwijzing niet mocht bepalen dat de beoordeling van de gevoeligheid plaatsvindt op basis van de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. De minister is daarmee buiten zijn in artikel 7 van Pro de Wmg gegeven bevoegdheid getreden, omdat op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wmg een aanwijzing geen betrekking mag hebben op een individuele zorgaanbieder, ziektekostenverzekeraar of consument. De aanwijzing heeft volgens Saxenburgh en WZA betrekking op een individuele zorgaanbieder, omdat uit de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM direct volgt of een ziekenhuis gevoelig is.
4.1.2
Ten tweede zijn de afwijzingen van de aanvragen om een beschikbaarheidsbijdrage volgens Saxenburgh en WZA niet evenredig, terwijl de NZa bovendien onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden die aantonen dat zij als ‘gevoelig’ moeten worden beschouwd. Saxenburgh en WZA stellen dat de bestreden besluiten ook in strijd zijn met het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De NZa houdt ten onrechte geen rekening met de sluiting van andere SEH’s, waardoor de druk op Saxenburgh en WZA toeneemt. Saxenburgh en WZA hebben op de zitting een overzicht overgelegd van dreigende en daadwerkelijke ‘presentatiestops’ (een periode waarin geen patiënten gepresenteerd kunnen worden op de SEH vanwege bijvoorbeeld uitzonderlijke drukte) en sluitingen van SMC, Treant Emmen en de Isala Ziekenhuizen in Meppel en Zwolle in 2023 en 2024. Daarbij hebben zij toegelicht dat de ziekenhuizen in de regio een netwerk vormen waarin over en weer patiënten worden opgevangen bij dergelijke presentatiestops en dat SMC en WZA meer dan gemiddeld de overloop vormen en daarmee ‘gevoelig’ worden.
4.2
De NZa heeft verweer gevoerd. Voor zover nodig wordt bij de beoordeling op de argumenten van partijen ingegaan.
Beoordeling
Strijd met artikel 7 van Pro de Wmg?
5.1
Anders dan Saxenburgh en WZA aanvoeren heeft de aanwijzing van de minister geen betrekking op individuele zorgaanbieders en is deze dus niet strijdig met artikel 7, vierde lid, van de Wmg. De aanwijzing herhaalt alleen dat de gevoeligheidsnorm op grond van het Besluit beschikbaarheidbijdrage van toepassing is als voorwaarde voor een beschikbaarheidbijdrage. De bereikbaarheidsanalyse van het RIVM als middel om de gevoeligheid van de SEH’s van individuele ziekenhuizen te bepalen wordt in de nota van toelichting bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage vermeld en dit wordt herhaald in de toelichting bij de aanwijzing. Individuele zorgaanbieders worden niet in de aanwijzing vermeld. De bereikbaarheidsanalyse zelf, die de NZa gebruikt om invulling te geven aan de gevoeligheidsnorm, is aan te merken als advisering in de zin van afdeling 3.3 van hoofdstuk 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook anders dan Saxenburgh en WZA aanvoeren, is de bereikbaarheidsanalyse dus niet gericht op rechtsgevolg.
Strijd met het evenredigheidsbeginsel of andere beginselen?
5.2
Naar aanleiding van de tweede beroepsgrond stelt het College voorop dat de beschikbaarheidbijdrage in het leven is geroepen om een verslechtering in de bereikbaarheid van SEH’s te voorkomen (zie de onder 2.3 opgenomen toelichting bij de aanwijzing van 2017). Er kan in beginsel van uit worden gegaan dat de modelmatige benadering van het RIVM een juist beeld geeft van de gevoeligheid van de SEH’s in Nederland in het licht van de 45-minutennorm (zie de tussenuitspraak van het College van 21 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:277). Het openblijven van de SEH’s van Saxenburgh en WZA is volgens de relevante RIVM-analyse niet noodzakelijk om een verslechtering in de bereikbaarheid te voorkomen en dus zijn ze niet ‘gevoelig’. De NZa heeft overeenkomstig de Beleidsregel daarom geen beschikbaarheidbijdrage toegekend.
5.3
Saxenburgh en WZA bestrijden afgezien van hun eerste beroepsgrond de rechtsgeldigheid van de Beleidsregel niet, voor zover daarin is bepaald dat de gevoeligheid wordt bepaald aan de hand van de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. De NZa mocht de gevoeligheid van de ziekenhuizen dus vaststellen met de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM.
5.4
Saxenburgh en WZA doen een beroep op bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb, waardoor hun SEH’s ondanks de uitkomst van de bereikbaarheidsanalyse toch als gevoelig moeten worden aangemerkt. Saxenburgh en WZA voeren daartoe aan dat door (tijdelijke) sluiting of presentatiestops van de SEH van ziekenhuizen in hun regio bovengemiddeld vaak een beroep wordt gedaan op hun SEH. Het College is met de NZa van oordeel dat als dat al zo zou zijn – volgens de NZa onderscheiden Saxenburgh en WZA zich hierin niet van andere ziekenhuizen – dat nog niet betekent dat zij daarmee ‘gevoelig’ worden. De nachtelijke sluiting van de SEH van het Isala Ziekenhuis in Meppel in de periode van 1 februari 2023 tot 1 april 2023, waarvoor het RIVM de Bereikbaarheidsanalyse nachtelijke sluiting SEH Meppel heeft opgesteld, maakt dat niet anders. Deze analyse (op grond van artikel 8a.4, eerste lid, aanhef en onder g, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz) heeft als doel om voorafgaand aan een besluit tot tijdelijke beperkte sluiting van een afdeling SEH te onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn voor de bereikbaarheid van de acute SEH-zorg in de regio gedurende deze tijdelijke sluiting en is niet bedoeld om de gevoeligheid te bepalen van afdelingen SEH van andere ziekenhuizen in 2024. Dat Saxenburgh als gevoelig ziekenhuis werd aangemerkt gedurende de tijdelijke sluiting van de SEH in Meppel in 2023 zegt dus niets over de gevoeligheid voor het jaar 2024. Op de zitting is bevestigd dat er in 2024 en 2025 geen tijdelijke sluitingen van andere SEH’s zijn geweest die de ziekenhuizen van Saxenburgh in Hardenberg en van WZA (tijdelijk) gevoelig hebben gemaakt. Er viel in dit opzicht dus voor de NZa ook niets te onderzoeken in de zin van artikel 3:2 van Pro de Awb. De bestreden besluiten zijn voldoende gemotiveerd.
5.5
De NZa heeft op de zitting verklaard dat zij alleen aanleiding zou zien voor afwijking van de RIVM-analyse in het geval van bijvoorbeeld een wegomleiding gedurende een jaar, waardoor de reistijd waarvan in het model wordt uitgegaan niet correct is. Dat zou ook volgens de deskundige van het RIVM een bijzondere omstandigheid kunnen zijn die de gevoeligheid beïnvloedt. Saxenburgh en WZA hebben niet met een feitelijke onderbouwing gesteld dat door dergelijke omstandigheden de SEH’s van hun ziekenhuizen in 2024 of 2025 toch gevoelig waren.
5.6
Voor zover Saxenburgh en WZA zich erop beroepen dat hun ziekenhuizen verlies lijden door de SEH is dat geen omstandigheid die voor de NZa aanleiding had moeten zijn om niet uit te gaan van de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Zoals hiervoor overwogen is het doel van de beschikbaarheidbijdrage namelijk niet om te voorkomen dat verlies wordt geleden op een SEH. Of de SEH kostendekkend is, staat in deze zaken niet ter beoordeling omdat geen aanspraak bestaat op een beschikbaarheidbijdrage. Daarom maakt deze omstandigheid de bestreden besluiten niet onevenwichtig.
5.7
Er hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die de NZa reden hadden kunnen geven af te wijken van de invulling van de gevoeligheidsnorm door middel van de bereikbaarheidsanalyse van het RIVM. Er zijn ook geen omstandigheden die de bestreden besluiten onevenwichtig maken. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Awb (“tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”) slaagt dus niet.
5.8
Tot slot zijn de bestreden besluiten niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De ziekenhuizen die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidbijdrage voldoen wel aan het gevoeligheidscriterium, zodat geen sprake is van gelijke gevallen.
Slotsom
6 De beroepen zijn ongegrond. De NZa hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. A. Venekamp en mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. M.G. Ligthart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. M.G. Ligthart

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Wet marktordening gezondheidszorgArtikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en b
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. zorg:
1° zorg of dienst als omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg;
2° individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidzorg, voor zover uitgevoerd, al dan niet onder eigen verantwoordelijkheid, door personen, ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van Pro die wet of door personen als bedoeld in artikel 34 van Pro die wet en voor zover die handelingen niet zijn begrepen onder 1°;
Artikel 7
1. Onze Minister kan de zorgautoriteit een algemene aanwijzing geven met betrekking tot:
a. de onderwerpen waaromtrent de zorgautoriteit ingevolge deze wet bevoegd is regels vast te stellen;
b. de onderwerpen waaromtrent de zorgautoriteit ingevolge deze wet bevoegd is beleidsregels vast te stellen.
2. Onze Minister kan in een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder b, bepalen dat de zorgautoriteit ambtshalve een tarief als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel b of c, of een prestatiebeschrijving vaststelt.
3. Onze Minister geeft een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid voorzover deze betreft de forensische zorg in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
4. Een aanwijzing heeft geen betrekking op een individuele zorgaanbieder, ziektekostenverzekeraar of consument.
Artikel 8
Alvorens Onze Minister overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onder b, een aanwijzing vaststelt, deelt hij de zakelijke inhoud van het voorgenomen besluit schriftelijk mede aan de beide kamers der Staten-Generaal. Hij stelt het besluit niet eerder vast dan nadat 30 dagen zijn verstreken na die mededeling. Van de vaststelling doet Onze Minister mededeling door plaatsing in de
Staatscourant.
Artikel 56a
1. De zorgautoriteit kan een beschikbaarheidbijdrage toekennen ten behoeve van de beschikbaarheid van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van deze wet met inachtneming van daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften en beperkingen. Een zorgaanbieder kan de beschikbaarheidbijdrage bij het Zorginstituut in rekening brengen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds dan wel het Fonds langdurige zorg. Voor een beschikbaarheidbijdrage komen uitsluitend vormen van zorg in aanmerking waarvan de kosten niet of niet geheel zijn toe te rekenen naar, of door middel van tarieven in de zin van deze wet in rekening te brengen zijn aan, individuele ziektekostenverzekeraars of verzekerden, of waarvan de bekostiging bij een zodanige toerekening dan wel een zodanige tarifering marktverstorend zou werken, en die niet op andere wijze worden bekostigd.
2. De zorgautoriteit past het eerste lid toe:
a. op aanvraag van een zorgaanbieder of een ziektekostenverzekeraar;
b. ambtshalve, indien een beleidsregel als bedoeld in artikel 57 dat Pro vordert.
3. De toekenning op grond van het eerste lid laat de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte tarieven onverlet.
4. Een aanvraag om toepassing van het eerste lid bevat een voorstel voor:
a. het in rekening te brengen bedrag;
b. degene door wie het bedrag in rekening wordt gebracht.
5. De zorgautoriteit kan aan de toekenning van het bedrag voorschriften of beperkingen verbinden.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en onder daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften en beperkingen, kan worden bepaald in welke vorm de zorgautoriteit de beschikbaarheidbijdrage kan toekennen.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of en in welke gevallen Onze minister of de zorgautoriteit, onder daarbij te stellen voorwaarden, voorschriften of beperkingen, zorgaanbieders kunnen aanwijzen die worden belast met een dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie of een dienst van algemeen belang als bedoeld in Protocol nr. 26 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
8. Bij de krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan voor een daarbij aangewezen vorm van zorg worden bepaald dat de zorgautoriteit geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt dan nadat Onze Minister daarvoor een verklaring van geen bezwaar heeft verleend.
9. Onze Minister kan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het achtste lid slechts onthouden vanwege strijd met het recht of het algemeen belang.
Artikel 57
1. De zorgautoriteit stelt beleidsregels vast met betrekking tot:
a. het uitoefenen van de bevoegdheid om verplichtingen op te leggen op grond van de artikelen 48 en 49;
b. het uitoefenen van de bevoegdheid om tarieven vast te stellen op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel a, b en c;
c. het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van prestatiebeschrijvingen op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel d;
d. het uitoefenen van de bevoegdheid om een grens vast te stellen op grond van artikel 50, tweede lid;
e. het uitoefenen van de bevoegdheid tot het vaststellen van bedragen als bedoeld in de artikelen 56a en 56b.
2. De beleidsregels, bedoeld in het eerste lid, onder b, c en e, kunnen inhouden op welke wijze, waaronder schriftelijk of elektronisch, onder welke voorwaarden of met inachtneming van welke voorschriften of beperkingen een aanvraag als bedoeld in die artikelen moet worden ingediend. De beperkingen kunnen mede inhouden dat de aanvraag alleen gedaan kan worden door een zorgaanbieder met een ziektekostenverzekeraar gezamenlijk of dat een aanvraag moet worden gedaan binnen een bepaalde termijn.
3. De beleidsregels kunnen inhouden onder welke voorwaarden of met inachtneming van welke voorschriften en beperkingen voor in die regel te onderscheiden delen van een prestatie of geheel van prestaties daarbij nader aangegeven beleidsregels van toepassing zijn.
4. De beleidsregels kunnen inhouden dat deze alleen van toepassing zijn voor instellingen die zijn aangewezen op grond van artikel 8 van Pro de Wet op bijzondere medische verrichtingen.
Artikel 59
De zorgautoriteit stelt niet dan na een aanwijzing van Onze Minister op grond van artikel 7, eerste lid, onder b, een beleidsregel vast met betrekking tot:
a. het toepassen van artikel 50, eerste lid, onderdeel a, b of c, indien voor de betrokken prestatie of voor een betrokken categorie van zorgaanbieders met betrekking tot de betrokken prestatie nog geen zodanige beleidsregel geldt;
b. het wijzigen van een beleidsregel met betrekking tot de vaststelling van een tarief als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel a, b of c, in die zin dat de bij die beleidsregel betrokken prestatie onder een andere tariefsoort als bedoeld in die onderdelen komt te vallen;
c. het vaststellen van een grens als bedoeld in artikel 50, tweede lid;
d. het wijzigen van een beleidsregel met betrekking tot de vaststelling van een grens als bedoeld in de onderdelen van artikel 50, tweede lid, in die zin dat de in die beleidsregel genoemde grens onder een andere grenssoort als bedoeld in die onderdelen komt te vallen;
e. het vaststellen van een bedrag als bedoeld in artikel 56a en 56b;
f. een experiment als bedoeld in artikel 58.
Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a.
Onze Minister:de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b.
wet:Wet marktordening gezondheidszorg;
c.
zorgautoriteit:Nederlandse Zorgautoriteit, genoemd in artikel 3 van Pro de wet;
d.
beschikbaarheidbijdrage:bijdrage, bedoeld in artikel 56a van de wet.
Artikel 2
De zorgautoriteit kan een zorgaanbieder een beschikbaarheidbijdrage toekennen voor het beschikbaar hebben van vormen van zorg omschreven in de bijlage behorend bij dit besluit.
Bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG
Onderdeel B
Vormen van zorg waarvoor op grond van artikel 4, eerste lid, van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG de Nederlandse Zorgautoriteit zonder verklaring van geen bezwaar van Onze Minister een beschikbaarheidbijdrage kan toekennen:
[…]
7. Spoedeisende hulp. Het gaat hier om zorg, bestaande uit de herkenning, stabilisatie en reanimatie van alle acute medische patiënten. De spoedeisende hulp (SEH) betreft het behandelen van spoedeisende aandoeningen en het verwijzen naar meer gespecialiseerde behandelaars. Hierbij geldt als voorwaarde dat sluiting van de afdeling SEH het aantal inwoners in Nederland dat niet binnen 45 minuten een afdeling SEH per ambulance kan bereiken, doet toenemen en de spoedeisende hulp 7 × 24 uur beschikbaar is;
[…]
Aanwijzing wijziging personele eisen beschikbaarheidbijdrage SEH artsen
Artikel 2
Deze aanwijzing is van toepassing op spoedeisende hulp als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de bijlage, waarbij op een in die bijlage bedoelde afdeling SEH 7×24 uur minimaal één door de KNMG geregistreerde SEH-arts of één arts SEH en één SEH-verpleegkundige aanwezig is.
Artikel 3
De zorgautoriteit stelt ter uitvoering van deze aanwijzing waar nodig regels of beleidsregels vast.
Artikel 4
De zorgautoriteit verstrekt een beschikbaarheidbijdrage voor zorg als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de bijlage, uitsluitend onder de voorwaarde dat die bijdrage tot doel heeft een dreigende verslechtering in de bereikbaarheid te voorkomen ten opzichte van de in 2013 bestaande landelijke situatie, uitgaande van gevoeligheid voor de zogenaamde 45-minuten bereikbaarheidsnorm als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7 van de bijlage.
Artikel 5 terugwerkende Pro kracht
Deze aanwijzing treedt terstond in werking en werkt terug tot en met 1 januari 2013.
Beleidsregel Beschikbaarheidbijdrage op aanvraag
Artikel 2 Doel Pro van de beleidsregel
Voor een aantal activiteiten en voorzieningen van zorgaanbieders is het niet mogelijk en/of wenselijk om deze rechtstreeks aan zorgproducten voor individuele consumenten toe te rekenen. Het gaat om specifieke functies of kenmerken van de zorgverlening, zoals beschikbaarheid, specifieke deskundigheid of specifieke voorzieningen. Doel van deze beleidsregel betreft het vaststellen van de wijze van bekostiging van deze activiteiten en voorzieningen, in aanvulling op de Beleidsregel 'Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa'.
Artikel 3 Reikwijdte Pro
Deze beleidsregel is van toepassing op het beschikbaar hebben en bekostigen van zorg als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 3 tot en met 10, 15 en 16 van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG. De volgende vormen van zorg komen in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage:
[…]
c. spoedeisende hulp;
[…]
Artikel 7 Spoedeisende Pro hulp
1. Beschrijving zorg
Spoedeisende hulp (SEH) als bedoeld in onderdeel B, aanhef en onder 7, van de Bijlage.
2. Criteria verstrekking
Zorgaanbieders kunnen in aanmerking komen voor de verstrekking van een beschikbaarheidbijdrage SEH indien zij de in artikel 7, eerste lid van deze beleidsregel genoemde vorm van zorg leveren en als aan elk van de volgende criteria is voldaan:
a. de SEH moet voldoen aan de geldende (minimum)normen die worden gesteld aan een SEH;
b. de SEH moet onvoldoende inkomsten uit de tarieven hebben om de kosten van de SEH te dekken;
c. de SEH moet gevoelig zijn voor de 45-minutennorm volgens de meest relevante analyse van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De meest relevante analyse voor de beschikbaarheidbijdrage SEH jaar t betreft de bereikbaarheidsanalyse jaar t-1 die jaarlijks door het RIVM wordt uitgebracht.