ECLI:NL:CBB:2026:38

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
24/876
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 22 WvaArt. 23 WvaArt. 24 WvaArt. 25 Wva
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing verzoek terugkomen van S&O-correctiebesluit

ELEO Technologies B.V. ontving een S&O-verklaring voor 2023 met toegekende kosten en uitgaven. Na een correctiebesluit van de minister waarin de S&O-verklaring werd gecorrigeerd, deed de onderneming een tweede mededeling met gewijzigde gerealiseerde kosten. De minister wees het verzoek om terug te komen van het correctiebesluit af omdat er geen bezwaar was gemaakt tegen het correctiebesluit en er geen sprake was van een kennelijke misslag of nieuwe feiten.

De onderneming stelde dat sprake was van een kennelijke misslag en dat de weigering evident onredelijk was, omdat zij per ongeluk een lager bedrag aan gerealiseerde kosten had opgegeven, wat leidde tot een aanzienlijk financieel nadeel. De minister betoogde dat geen vergissing direct uit de mededeling bleek en dat het financiële nadeel geen bijzondere omstandigheid vormde.

Het College oordeelde dat de onderneming geen kennelijke misslag had gemaakt, maar slechts de mogelijkheid tot schuiven tussen kosten en uitgaven niet had onderkend, wat voor haar rekening kwam. Ook was de tweede mededeling te laat gedaan, na de bezwaarperiode. Het financiële nadeel was geen reden om de afwijzing als evident onredelijk te beschouwen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van ELEO Technologies B.V. tegen het besluit van de minister om niet terug te komen op het correctiebesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/876

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

ELEO Technologies B.V., te Veldhoven (onderneming)

(gemachtigden: mr. ing. A.N.M. van Bavel en mr. R.M. Kersten)
en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. C. Cromheecke en mr. M.J. Schulte)

Procesverloop

Met het besluit van 10 juli 2024 heeft de minister het verzoek van de onderneming om terug te komen van het besluit van 29 maart 2024 (correctiebesluit) waarbij de verstrekte S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva) is gecorrigeerd, afgewezen.
Met het besluit van 9 september 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Met de brief van 22 oktober 2025 heeft het College bij de minister stukken opgevraagd.
Met het e-mailbericht van 3 november 2025 heeft de minister aanvullende stukken ingezonden.
De zitting was op 13 november 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam] voor de onderneming en de gemachtigden van partijen.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Met het besluit van 18 juli 2023 heeft de minister aan de onderneming een S&O-verklaring verstrekt voor de projecten ‘Standaard batterijplatform’ en ‘Innovatieve productielijn voor productie modulair batterijplatform’ voor het jaar 2023. Het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering is vastgesteld op € 823.608,-. De minister heeft voor de kosten van de projecten een bedrag van in totaal € 277.250,- toegekend en voor de uitgaven van de projecten een bedrag van in totaal € 1.820.300,-. In het besluit van 18 juli 2023 wordt de onderneming erop gewezen dat zij voor de projecten mag schuiven tussen de toegekende kosten en/of uitgaven.
1.2
Op 29 maart 2024 heeft de onderneming mededeling gedaan van de in 2023 aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren en het bedrag aan gerealiseerde kosten en uitgaven. In die mededeling heeft zij opgave gedaan van een bedrag van € 332.647,- aan gerealiseerde uitgaven en een bedrag van € 277.250,- aan gerealiseerde kosten. Vervolgens heeft de minister met het correctiebesluit de verstrekte S&O-verklaring gecorrigeerd met een bedrag van € 402.620,-. Tegen dit besluit heeft de onderneming geen bezwaar gemaakt.
1.3
Op 17 juni 2024 heeft de onderneming voor het jaar 2023 een tweede (nieuwe) mededeling gedaan, waarin zij een bedrag van € 332.647,- aan gerealiseerde uitgaven heeft opgegeven en een bedrag van € 1.317.918,- aan gerealiseerde kosten. De minister heeft deze mededeling aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het correctiebesluit.
1.4
Met het besluit van 10 juli 2024 heeft de minister dit verzoek afgewezen, omdat de onderneming tegen het correctiebesluit geen bezwaar heeft gemaakt waardoor dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen (definitief is geworden). Er is geen sprake van een kennelijke misslag dan wel nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) die rechtvaardigen dat van het correctiebesluit wordt teruggekomen.
1.5
Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd. De minister heeft toegelicht dat hij beleid hanteert waarbij zeer terughoudend wordt omgegaan met het terugkomen van rechtens onaantastbare besluiten. Als sprake is van een novum of een kennelijke misslag is er ruimte voor aanpassing van een correctiebesluit. Daarvan is in dit geval geen sprake. Er wordt dan alleen niet tot afwijzing overgegaan als dit evident onredelijk is. In wat de onderneming heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het niet terugkomen van het correctiebesluit evident onredelijk is.
Standpunten van partijen
2.1
De onderneming heeft aangevoerd dat sprake is van een kennelijke misslag en dat de weigering om terug te komen van het correctiebesluit evident onredelijk is. Zij heeft in de mededeling van 29 maart 2024 per ongeluk opgave gedaan van een bedrag van € 277.250,- aan gerealiseerde kosten in plaats van € 1.317.918,-. Hierdoor mist zij ruim € 166.500,- aan belastingvoordeel.
2.2
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een kennelijke misslag, omdat uit de mededeling niet direct kan worden geconcludeerd dat er een vergissing is gemaakt. Verder is het gestelde financiële nadeel geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het niet terugkomen van het correctiebesluit evident onredelijk is.
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door het College
4 Aan de orde is de vraag of de minister terecht het verzoek om terug te komen van het correctiebesluit heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en zal dit hieronder toelichten.
4.1
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat geval toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van het verzoek in beginsel dragen. Dat is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit naar het oordeel van de bestuursrechter evident onredelijk is.
4.2
De minister heeft in deze zaak overeenkomstige toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wel is in geschil of sprake is van een kennelijke misslag en of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is.
4.3
In wat de onderneming heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat sprake is van een kennelijke misslag. De onderneming heeft in haar (eerste) mededeling namelijk een bedrag aan gerealiseerde kosten opgegeven dat overeenkomt met de daadwerkelijk gemaakte kosten. De onderneming heeft bij de mededeling geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van de regeling om te schuiven tussen de toegekende kosten en uitgaven, omdat zij – zoals op de hoorzitting is toegelicht – deze mogelijkheid niet had onderkend. Dat betekent niet dat sprake is van een foutieve opgave. De onderneming heeft niet begrepen dat de wettelijke regeling het schuiven tussen kosten en uitgaven toelaat, hoewel de minister in de verklaringen daar nog uitdrukkelijk op had gewezen. Dat komt in beginsel voor rekening van de onderneming, temeer nu zij werd bijgestaan door een professionele intermediair.
4.4
Van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is, is niet gebleken. Het College begrijpt dat de onderneming met de tweede mededeling het opgegeven bedrag aan gerealiseerde kosten wilde wijzigen, maar dat heeft zij niet tijdig gedaan. Zij heeft de tweede mededeling namelijk pas ruim zes weken na afloop van de termijn om bezwaar te maken tegen het correctiebesluit gedaan. De onderneming heeft verklaard dat ‘de financiële man van de onderneming’ in die periode vaderschapsverlof had, maar het is de verantwoordelijkheid van de onderneming om te zorgen voor een goede overdracht van werkzaamheden en het tijdig maken van bezwaar. Dat de onderneming hierdoor een aanzienlijke belastingkorting van ruim € 166.500,- heeft misgelopen, moet daarom in beginsel voor haar rekening blijven. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat de minister in dit geval minder belang had moeten toekennen aan de rechtszekerheid dan aan het (financiële) belang van de onderneming bij heroverweging van het besluit. Daarbij is van belang dat de onderneming niet heeft gesteld of met (financiële) stukken onderbouwd dat zij door de misgelopen belastingkorting in de financiële problemen is gekomen. Ter zitting heeft de onderneming desgevraagd verklaard ook niet over dergelijke stukken te beschikken.
Slotsom
5 Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat de minister terecht heeft geweigerd terug te komen van het correctiebesluit. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. A. van Gijzen, mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. M.C. Verviers

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Artikel 23
1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een Pro S&O-verklaring.
2. De S&O-verklaring bevat:
a. een omschrijving van het werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;
b. de periode waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt;
c. het aantal uren dat werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige in die periode aan het werk, bedoeld in onderdeel a, naar verwachting zullen besteden;
d. het bedrag aan kosten en uitgaven dat naar verwachting betrekking heeft op die periode en het werk, bedoeld in onderdeel a, of het bedrag dat voor die periode naar verwachting volgt uit de toepassing van het vierde lid, onderdeel b;
e. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering met een berekening van dat bedrag.
[…]
Artikel 24
[…]
2. De S&O-inhoudingsplichtige doet mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat over de in dat kalenderjaar aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven en, ingeval een S&O-verklaring ook een bedrag aan kosten en uitgaven als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel d, bevat, van de in dat kalenderjaar gerealiseerde kosten en uitgaven waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven.
3. De S&O-inhoudingsplichtige doet de mededeling, bedoeld in het tweede lid, binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de in dat lid bedoelde S&O-verklaringen betrekking hebben of, indien dat later is, binnen drie kalendermaanden na de afgifte van de laatste S&O-verklaring die betrekking heeft op dat kalenderjaar.
[…]
Artikel 25, eerste lid
1. Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige die de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, heeft gedaan, zo nodig een correctie-S&O-verklaring af voor alle op het kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen gezamenlijk, waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring vaststelt op basis van de voor dat kalenderjaar toegekende uren, kosten en uitgaven, maar volgens die mededeling niet-bestede uren en niet-gerealiseerde kosten en uitgaven.