ECLI:NL:CBB:2026:54

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
26/51
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 9 Hrw 2007Art. 11 Hrw 2007Art. 33 Hrw 2007Art. 34 Hrw 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ambtshalve uitschrijving uit handelsregister wegens ontbreken vestigingsadres

De Kamer van Koophandel heeft een onderneming ambtshalve uit het handelsregister uitgeschreven omdat deze geen vestigingsadres meer had. De onderneming maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de inschrijving te herstellen of tijdelijk zonder vestigingsadres te laten voortbestaan.

De voorzieningenrechter overwoog dat de Handelsregisterwet 2007 vereist dat een onderneming een vestigingsadres heeft om ingeschreven te kunnen blijven. De Kamer van Koophandel had op grond van artikel 38 Hrw Pro 2007 terecht de uitschrijving gehandhaafd omdat de onderneming niet langer op het opgegeven adres was gevestigd en geen nieuw adres had opgegeven.

De onderneming voerde dat de uitschrijving onevenredig was vanwege persoonlijke omstandigheden van de eigenaar, maar de voorzieningenrechter vond dat het belang van rechtszekerheid en betrouwbaarheid van het handelsregister zwaarder woog. De onderneming kon zich opnieuw inschrijven zodra zij een vestigingsadres had. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ambtshalve uitschrijving uit het handelsregister wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/51
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] (de onderneming)

verzoeker,
en

de Kamer van Koophandel, verweerster

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2025 (het primaire besluit) heeft verweerster de onderneming ambtshalve uit het handelsregister uitgeschreven.
De onderneming heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Hangende de voorlopige voorzieningenprocedure heeft verweerster het bezwaar bij besluit van 3 februari 2026 (bestreden besluit) ongegrond verklaard
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerster heeft verweer gevoerd op het verzoek.
De zitting vond plaats via videoverbinding op 9 februari 2026. De onderneming heeft deelgenomen. Na afloop van de zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1 De gemachtigde van verweerster was niet bij de zitting die via videoverbinding plaatsvond. Naderhand is gebleken dat de gemachtigde vanwege technische problemen niet aan de zitting kon deelnemen. Desgevraagd heeft verweerster aangegeven niet alsnog te hoeven worden gehoord. Wel heeft zij na de zitting nog een (kort) nader stuk ingediend. Dit stuk laat de voorzieningenrechter echter buiten beschouwing, nu het onderzoek ter zitting al was gesloten en de onderneming geen gelegenheid heeft gehad op het stuk te reageren.
2.1
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voordat de zitting bij de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden, heeft verweerster het bestreden besluit genomen. Overeenkomstig artikel 8:81, vijfde lid, is de onderneming in de gelegenheid gesteld beroep in te stellen bij het College tegen dit besluit. De onderneming heeft beroep op nader aan te voeren gronden ingesteld. Het verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.
2.2
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in de bodemprocedure.
3.1
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.2
De onderneming was ingeschreven in het handelsregister met een eenmanszaak. Via verhuurder [naam 3] beschikte de onderneming over een vestigingsadres aan de [adres] in [woonplaats] . In september 2025 ontving verweerster van [naam 3] een melding dat de onderneming daar niet langer gevestigd was. Verweerster heeft de onderneming daarop verzocht om binnen vier weken een nieuw vestigingsadres op te geven en heeft aangegeven dat zij anders tot ambtshalve uitschrijving van de onderneming over zal gaan. De onderneming heeft richting verweerster aangegeven dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet langer over een vestigingsadres beschikt. Zij heeft geen nieuw vestigingsadres opgegeven.
3.3
Vervolgens heeft verweerster bij het primaire besluit de onderneming per direct uitgeschreven.
3.4
Bij het bestreden besluit heeft verweerster de uitschrijving gehandhaafd, omdat de onderneming nog steeds geen nieuw vestigingsadres had opgegeven.
3.5
Het verzoek strekt tot schorsing van het primaire en het bestreden besluit, zodat de inschrijving van de onderneming in het handelsregister herleeft, dan wel tot een tijdelijke inschrijving in het handelsregister zonder vestigingsadres, zolang nog niet op het beroep is beslist.
4 De onderneming betoogt dat verweerster haar niet had mogen uitschrijven. Verweerster had rekening moeten houden met de persoonlijke omstandigheden van haar eigenaar. Hij beschikt sinds de corona-periode niet over een vaste woon- of verblijfplaats en is niet ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp). Ook ontvangt hij geen bijstandsuitkering en door de uitschrijving kan hij ook geen aanspraak maken op Bijstand voor zelfstandigen (Bbz). Hij is daarom aangewezen op de inkomsten uit zijn onderneming.
Door de uitschrijving wordt hij onevenredig getroffen en verkeert hij in een financiële noodsituatie. Als gevolg van de uitschrijving is de zakelijke bankrekening opgeheven en is de website van de onderneming offline gehaald. Door de uitschrijving is het feitelijk onmogelijk om opdrachten uit te voeren. De onderneming betoogt dat het haar niet kan worden verweten dat zij niet over een vestigingsadres beschikt. Vanwege een ziekenhuisopname was haar eigenaar niet in staat de opzegging van de huur door [naam 3] af te wenden of om een nieuw vestigingsadres te vinden.
5.1
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in dit geval een voorlopige voorziening te treffen en legt hieronder uit waarom.
5.2
Wanneer een onderneming door verweerster wordt ingeschreven in het handelsregister, worden op grond van artikel 9, onder e, van de Handelsregisterwet 2007 (Hrw 2007) de vestigingen opgenomen. Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hrw 2007 bepaalt dat over een vestiging van een onderneming in het handelsregister het post- en bezoekadres moet worden opgenomen. Verweerster kan van dit vereiste niet afwijken. Dit betekent dat verweerster een onderneming niet kan inschrijven in het handelsregister, als een onderneming geen vestigingsadres heeft.
5.3
Daarnaast is in artikel 38, eerste lid, in samenhang met de artikelen 33 tot en met 36 van de Hrw 2007, voorzien in een procedure op grond waarvan verweerster, als zij gerede twijfel heeft over de juistheid van authentieke gegevens, uit eigen beweging in het handelsregister opgenomen gegevens in onderzoek kan nemen en deze eventueel kan wijzigen. Zoals het College in zijn uitspraak van 15 juli 2009 (ECLI:NL:CBB:2009:BJ3137) heeft overwogen vormt gerede twijfel aan de juistheid van in het handelsregister opgenomen gegevens voldoende aanleiding om gegevens met overeenkomstige toepassing van de artikelen 33 tot met 36 van de Hrw 2007 in onderzoek te nemen, maar moet, nadat dit onderzoek is afgerond, gelet op de omstandigheden van het geval, voldoende duidelijkheid omtrent de onjuistheid van deze gegevens bestaan, voordat tot wijziging of doorhaling ervan kan worden overgegaan.
5.4
Vast staat dat de onderneming niet langer is gevestigd op de [adres] in [woonplaats] en dat zij nog geen nieuw vestigingsadres heeft gevonden waarop ze zich kan inschrijven. Daarmee staat vast dat de inschrijvingsgegevens niet meer juist zijn. Bij gebreke aan een vestigingsadres was verweerster op grond van artikel 38 Hrw Pro 2007 bevoegd om ambtshalve tot uitschrijving van de onderneming uit het handelsregister over te gaan.
5.5
De onderneming doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel staat de vraag centraal of de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Daarbij hanteert het College de maatstaf zoals neergelegd in de uitspraken van het College van 17 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:244) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285). Het College gaat bij het vormen van zijn oordeel uit van de vragen of het besluit geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken en of het op zichzelf geschikte en noodzakelijke besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is.
5.5
De voorzieningenrechter overweegt dat gelet op het belang van de rechtszekerheid in het economische verkeer de gegevens in het handelsregister juist en volledig moeten zijn, zodat derden daarop kunnen vertrouwen. De ambtshalve uitschrijving strekt ertoe onjuiste gegevens uit het handelsregister te verwijderen, en is dan ook geschikt en noodzakelijk om dit doel te bereiken. De voorzieningenrechter acht de ambtshalve uitschrijving in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig. Verweerster heeft het belang van de rechtszekerheid en de betrouwbaarheid van het register zwaarder mogen laten wegen dan de (financiële) belangen van de onderneming om ingeschreven te blijven. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de onderneming op de zitting heeft verklaard dat de voormalige verhuurder weigert de aan haar gerichte post die op de [adres] wordt bezorgd, aan haar te verstrekken. Daarmee is dus niet uitgesloten dat derden daadwerkelijk in hun belangen worden getroffen als de onderneming in het handelsregister ingeschreven zou blijven onder vermelding van het voormalige vestigingsadres. Zoals verweerster terecht stelt vereist de rechtszekerheid in het economische verkeer ook dat een onderneming voor derden te traceren is. Dat kan niet zonder vestigings- of bezoekadres. Het argument van de onderneming dat zij buiten haar schuld haar vestigingsadres is kwijtgeraakt weegt niet op tegen de belangen die verweerster moet bewaken. Verweerster heeft dus ook geen medewerking hoeven verlenen aan het verzoek van de onderneming om in afwijking van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hrw 2007 ingeschreven te blijven zonder vestigingsadres.
5.6
In het licht van de voornoemde omstandigheden en gelet op het belang van verweerster om een betrouwbaar register beschikbaar te stellen, acht de voorzieningenrechter het niet aangewezen om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij ook dat het voor de onderneming niet onevenredig bezwarend is om zich opnieuw in het handelsregister in te laten schrijven, zodra zij in de toekomst wel over een vestigingsadres beschikt.
6 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. C.A. Blankenstein