De intermediair, een Belgische onderneming die mest vervoert, kreeg een boete opgelegd wegens het niet tijdig toezenden van mestmonsters aan een erkend laboratorium binnen de wettelijke termijn van tien werkdagen. De minister had de boete verlaagd na bezwaar, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de boete.
In hoger beroep stelde de intermediair dat de minister het legaliteitsbeginsel had geschonden, dat het later aanleveren van mestmonsters geen invloed had op de mestketen, dat het verdedigingsbeginsel was geschonden, dat eerst een waarschuwing had moeten worden gegeven, en dat de boetebesluiten onjuist waren ondertekend. Het College volgde de rechtbank in haar gemotiveerde oordeel en verwierp deze gronden.
Het College oordeelde dat de marge van vijf dagen die de minister bovenop de wettelijke termijn toepast, tegenwettig begunstigend beleid is en niet aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel onderhevig is. De minister had de boete in hoger beroep verder gematigd tot 10% van het oorspronkelijke bedrag, waardoor het College de boete vaststelde op €400. Tevens veroordeelde het College de minister in de proceskosten van de intermediair en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.