7.1Het College is van oordeel dat de minister op grond van het rapport van bevindingen 2 de daarbij behorende veterinaire verklaring van 29 oktober 2019 terecht heeft vastgesteld dat [naam 1] niet heeft voldaan aan de in het dwangsombesluit opgelegde maatregelen 1, 2, en 4 tot en met 14 en dat de voor deze maatregelen opgelegde dwangsommen zijn verbeurd. De minister mocht deze dwangsommen invorderen. In zijn beroepsgronden betwist [naam 1] dat hij niet heeft voldaan aan de in het dwangsombesluit opgelegde maatregelen. Deze betwisting leidt niet tot een ander oordeel. Hieronder licht het College dat per geconstateerde overtreding toe. Bij deze beoordeling is uitgangspunt dat een bestuursorgaan volgens rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:514), onder 5.2) in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een inspectierapport. Worden die bevindingen betwist, dan dient te worden onderzocht of er grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding(en) ten grondslag kunnen worden gelegd. In dit geval zijn de door de toezichthouders gedane bevindingen in het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring uitgebreid weergegeven en gestaafd met foto’s en video-opnamen. 7.2.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 1 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.2.2Artikel 2.22, eerste lid, van het Bhd, schrijft voor dat varkens permanent beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.
7.2.3In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat in verschillende stallen en afdelingen weliswaar hokverrijking in de vorm van een hangende metalen ketting, een kunststof buis, een bal of een (eetbaar) touw was aangebracht, maar dat deze in veel gevallen niet of moeilijk bereikbaar waren of bevuild waren met mest. Er was geen hokverrijking voor de recent gespeende biggen die nog in de kraamstal aanwezig waren. De varkens in de verschillende stallen en afdelingen hadden niet permanent de beschikking over wroetbare hokverrijking. In de veterinaire verklaring wordt opgemerkt dat de aanwezige hokverrijking bij alle afdelingen als onvoldoende wordt beoordeeld. De minister mocht uitgaan van deze bevindingen. De enkele stelling van [naam 1] dat er wel degelijk materiaal aanwezig was om mee te spelen en in te wroeten, is onvoldoende grond om daaraan te twijfelen, ook omdat deze stelling niet nader is onderbouwd.
7.3.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 2 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.3.2Artikel 2.14, eerste lid, van het Bhd schrijft voor dat er maatregelen worden getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, waaronder in ieder geval het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens.
7.3.3In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat de toezichthouders verschillende varkens hebben aangetroffen met aangebeten oren of staart. Er was geen aanvullende hokverrijking aangebracht en er waren geen andere zichtbare maatregelen genomen om de kans op agressie tussen dieren te verminderen. In de veterinaire verklaring staat beschreven dat er onvoldoende hokverrijking aanwezig was en dat er voor de zeugen in de kraamhokken geen of gebrekkig nestmateriaal aanwezig was. Dit zorgt volgens de veterinaire verklaring voor beperking van het natuurlijke gedrag, met chronische stress tot gevolg. Bij varkens leidt dit tot frustratiegedrag zoals bijvoorbeeld staart- en oorbijten en stangbijten voor de zeugen die vaststaan, aldus de toezichthoudend dierenarts. De minister mocht uitgaan van deze bevindingen. De niet onderbouwde stelling van [naam 1] dat wel voldoende afleidingsmateriaal aanwezig was en dat wonden dagelijks werden behandeld met wondspray, is onvoldoende grond om daaraan te twijfelen. Op de zitting is ook nog van de kant van de minister toegelicht dat als behandeling met wondspray bij een varken is uitgevoerd dat goed waarneembaar is.
7.4.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 4 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.4.2Artikel 2.13, eerste lid, van het Bhd schrijft voor dat gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen in afzonderlijke groepen worden gehouden.
7.4.3In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat 73 opfokgelten individueel waren gehuisvest in gesloten voerligboxen en dat achter de voerligboxen hopen mest lagen van naar schatting enkele dagen oud. De toezichthouders zagen geen (be)handelingen door medewerkers of andere redenen voor tijdelijke afzondering van dieren, zoals genoemd in artikel 2.15, lid 1, onder c van Bhd. In de ruimte achter de voerligboxen zagen de toezichthouders op de roostervloer geen sporen van verse mest, waaruit zou kunnen blijken dat de gelten normaal gesproken in groepshuisvesting werden gehouden. Naar het oordeel van het College mocht de minister uitgaan van de vaststelling van de toezichthouders dat 73 gelten individueel waren gehuisvest. Dat is op grond van artikel 2.13, eerste lid, van het Bhd niet toegestaan. Bij gelten is geen sprake van spenen, omdat gelten vrouwelijke varkens zijn die nog geen biggen hebben geworpen. De uitzondering van artikel 2.15, eerste lid, aanhef en onder b sub 2, van het Bhd, op grond waarvan individuele huisvesting is toegestaan vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie, is daarom in dit geval niet van toepassing. Ook is niet gebleken dat handelingen zoals genoemd in artikel 2.15, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bhd werden uitgevoerd, zodat de uitzondering uit die bepaling evenmin van toepassing is.
7.5.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 5 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.5.2Artikel 2.16, aanhef en onder a, van het Bhd schrijft voor dat stallen waarin varkens worden gehouden op zodanige wijze zijn ingericht dat de varkens toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen.
7.5.3In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat de toezichthouders hebben vastgesteld dat in stal 7, in dekafdelingen 34 en 35, circa 60 zeugen/gelten die in afgesloten voerligboxen werden gehouden niet de beschikking hadden over een schone, comfortabele ligplaats. De dieren lagen op een vloer die vervuild was door een mengsel van gemorst water, voerresten en uitwerpselen. Enkele drinknippels lekten water dat over het dichte vloergedeelte stroomde waar ook het voer aan de dieren werd verstrekt. Verder blijkt uit het rapport van bevindingen 2 dat diverse kraamhokken waarin zeugen met of zonder (pasgeboren) biggen werd gehuisvest, sprake was van opeenhoping van mest achter de zeugen. In de veterinaire verklaring wordt opgemerkt dat er onvoldoende aandacht was voor hygiëne in de stallen. In de kraamafdelingen lag veel mest achter de zeugen. Onder andere in stal 7 van dekafdeling 34 was de vloer waar de zeugen op moesten liggen zeer vuil en nat. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat stallen niet op zodanige wijze waren ingericht dat de varkens toegang hadden tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk konden liggen. [naam 1] heeft dit niet betwist.
7.6.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 6 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.6.2Artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Bhd schrijft voor dat degene die een dier houdt, er voor zorg draagt dat een dier een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier.
7.6.3In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat de voedingsconditie van de zeugen/gelten op het bedrijf over het algemeen was verbeterd ten opzichte van de controle in februari 2019. Toch zagen zij varkens die mager waren, gelet op de duidelijk zichtbare ruggenwervels en heupbeenderen van de dieren. Er waren duidelijke verschillen in voedingsconditie zichtbaar van zeugen die in dezelfde groep werden gehouden. In de veterinaire verklaring van 29 oktober 2019 staat omschreven dat de conditie van de zeugen en gelten sinds de controle in februari 2019 was verbeterd, maar dat er nog steeds veel variatie in conditie van de zeugen was en er ook nog steeds meerdere veel te magere zeugen aanwezig waren. Volgens de toezichthoudend dierenarts moet het diermanagement verbeteren door uniformere groepen te maken, door magere dieren extra aandacht te geven en zo nodig apart te huisvesten en beter te voeren. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat er nog steeds zeugen aanwezig waren die veel te mager waren. De enkele stelling van [naam 1] dat varkens aanleg kunnen hebben om mager te worden, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de minister stelt, blijkt uit de bevindingen van de toezichthouders en uit de foto’s bij het rapport van bevindingen 2 dat verschillende zeugen te mager waren en dat het niet gaat om een normale variatie in lichaamsgewicht.
7.7.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 7 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.7.2Artikel 2.26, tweede lid, van het Bhd, schrijft voor dat varkens ouder dan twee weken permanent beschikken over voldoende vers water.
7.7.3In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat in stal 7 elk van de afdelingen 21 tot en met 33 en 36 tot en met 40 één drinkbak, (met plaats voor één dier) beschikbaar was. In elke afdeling is plaats voor ongeveer 84 zeugen of gelten. De toezichthouders zagen in verschillende afdelingen dat één dier aan het drinken was en dat andere dieren er omheen stonden en kennelijk ook wilden drinken. Dit leidde tot rivaliteit tussen individuele dieren.
De druk van het water varieerde per drinkbak. In afdeling 40 constateerden de toezichthouders dat er geen water uit de drinkbak kwam en dat de varkens niet (permanent) de beschikking hadden over drinkwater. De veterinaire verklaring onderschrijft deze bevindingen en voegt daaraan toe dat er in meerdere afdelingen competitie en agressie was tussen de zeugen om toegang tot water te krijgen en dat zeugen duidelijk frustratiegedrag vertoonden in respons op een ontoereikende watervoorziening. De toezichthoudend dierenartsen hebben waargenomen dat zeugen de drinkende zeug probeerden te verdringen, door te duwen en omtrekkende bewegingen te maken. Zeugen aan de drinkbak probeerden de opdringerige zeugen weg te jagen door zich dwars te positioneren en soms te snauwen en te bijten. Daarnaast is door de toezichthoudend dierenarts waargenomen dat meerdere vaststaande zeugen verkeerd om in een kraamkooi stonden en daardoor geen toegang hadden tot water en voer. Deze dieren vertoonden gedrag dat wijst op stress. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat varkens niet permanent beschikking hadden over voldoende vers water. [naam 1] heeft de bevindingen niet gemotiveerd betwist.
7.8.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 8 en 9 niet waren uitgevoerd en dat de voor deze maatregelen opgelegde dwangsommen van elk € 1.500,- zijn verbeurd.
7.8.2Artikel 2.21, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bhd schrijft voor dat de spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk is en bij stallen bestemd voor zeugen zonder biggen en gelten na dekking ten hoogste 20 mm bedraagt.
7.8.3Artikel 1.8, tweede lid, van het Bhd schrijft voor dat behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft op zodanige wijze zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden.
7.8.4In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat de toezichthouder heeft waargenomen dat in een gedeelte van stal 6, waar onder andere twee rijen van 25 zeugen zonder biggen en/of gelten na dekking in afgesloten voerligboxen werden gehouden, in tenminste drie voerligboxen sprake was van slijtage aan het metalen gedeelte van de roostervloer. De spijlen van de roosters waren door slijtage dun geworden en op een enkele plek gebroken. Hierdoor waren scherpe randen, uitstekende delen en spleten breder dan 30 mm (althans breder dan de norm van 20 mm) ontstaan, waardoor varkens zich zouden kunnen verwonden. De minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat de toezichthouders meerdere keren hebben geconstateerd dat de spleten breder waren dan de toegestane 20 mm en dat er scherpe randen of uitsteeksels waren waaraan de varkens zich konden verwonden. Het betoog van [naam 1] dat er altijd wel een gebroken spijltje te vinden is, doet daar niet aan af, sowieso niet omdat daarmee niet wordt betwist dat de roosters niet aan de norm voldeden.
7.9.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 10 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.9.2Artikel 2.17, eerste lid, van het Bhd schrijft voor dat de voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, per gelt of zeug ten minste 2,25 m2 bedraagt. Op grond van artikel 2.17, derde lid, van het Bhd wordt de in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte per gelt of zeug met 10% vergroot indien deze dieren in groepen van minder dan zes varkens worden gehouden of kan deze oppervlakte per gelt of zeug met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.
7.9.3Artikel 2.18, tweede lid, van het Bhd schrijft voor dat indien de vloer van de in artikel 2.17, eerste lid, van het Bhd bedoelde stal gedeeltelijk uit een roostervloer bestaat, de oppervlakte van het dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer per gelt of zeug ten minste 1,3 m2 bedraagt.
7.9.4Uit het rapport van bevindingen 2 blijkt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat de vloeroppervlakte in verschillende groepen niet aan deze normen voldeed. Zo is bijvoorbeeld vastgesteld dat een groep van 42 gedekte gelten een totale vloeroppervlakte met een gedeeltelijke roostervloer had van 68,85 m2. Dat is per dier 1,64 m2, terwijl de norm voor groepen met meer dan 40 dieren 2,025 m2 per dier is. De aaneengesloten dichte vloeroppervlakte in elke voerligbox bedroeg 0,6 m2 en dat is minder dan de norm van tenminste 1,3 m2 per dier. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van de bevindingen van de toezichthouder, waaruit blijkt dat de beschikbare oppervlakte in meerdere groepen minder bedroeg dan de norm. De stelling van [naam 1] dat er onvoldoende bewijs is om een overtreding vast te stellen, faalt. Uit het rapport van bevindingen 2 blijkt namelijk dat de toezichthouders de beschikbare oppervlakte hebben vastgesteld en vervolgens aan de hand van het aantal varkens per groep hebben berekend wat de beschikbare oppervlakte was per dier. [naam 1] heeft noch de oppervlaktemaat noch het aantal varkens of de berekening zelf bestreden. Voor de vraag of een overtreding is begaan, maakt het niet uit of de waarnemingen gedekte gelten of zeugen zonder biggen betroffen, nu voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen dezelfde normen gelden.
7.10.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 11 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.10.2Artikel 2.4, vierde lid, van het Bhd schrijft voor dat een ziek of gewond dier zo nodig wordt afgezonderd in een passend onderkomen dat zo nodig is voorzien van droog strooisel.
Artikel 2.4, vijfde lid, van het Bhd schrijft voor dat wanneer de zorg, bedoeld in artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, van het Bhd geen verbetering in de toestand van het dier brengt, zo spoedig mogelijk een dierenarts wordt geraadpleegd.
7.10.3Uit het rapport van bevindingen 2 blijkt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat diverse zeugen verwondingen hadden, waaronder schouder- en pootwonden. Verder zijn een zeug met een uitstulping van het rectum, varkens met beschadigde en vers bebloede oren, een varken met een beschadigde en vers bebloede staart en meerdere dieren met wonden gezien. De gewonde varkens waren niet afgezonderd van de overige dieren, terwijl dat volgens de toezichthouders wel nodig was. In de veterinaire verklaring staat beschreven dat de toezichthoudend dierenartsen hebben waargenomen dat zieke en gewonde dieren niet waren afgezonderd in een geschikte ziekenboeg. Zo zagen zij bijvoorbeeld een zeug met een ernstig verdikte rechter onderpoot met een open wond, dieren met abcessen, een zeug met een open wond op de linker schouder, een zeug met een wond op de rug, enkele matig kreupele gelten, een zeug met twee ernstige vleeswonden in de achterhand, een zeug met een wond aan de linker achterpoot, een zeug met een wond aan de schouder, een zeug met een diepe vleeswond in de linker bil die ernstig kreupel was aan de rechter voorpoot en een zeug met een zware pompende ademhaling. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van deze bevindingen, die op zichzelf niet zijn bestreden. Uit deze bevindingen blijkt dat zieke of gewonde dieren niet waren afgezonderd in een passend onderkomen, terwijl dat volgens de toezichthouders wel nodig was. Gelet op de ernst van de waargenomen verwondingen volgt het College [naam 1] niet in haar stelling dat er geen reden was om de dieren af te zonderen.
7.11.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 12 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.11.2Artikel 2.4, eerste lid, van het Bhd schrijft voor dat een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen.
7.11.3In de veterinaire verklaring bij het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat een aantal waarnemingen van de toezichthoudend dierenartsen wijst op te weinig personeel, en/of onvoldoende diermanagement. Zo voldeed de hokverrijking niet en waren er grote verschillen in formaat en voedingstoestand van de zeugen in dezelfde groep. Ook stonden alle kraamkooien op de kortste stand afgesteld, zodat grote zeugen geen voor- en achterwaartse ruimte hadden om te bewegen en alleen konden liggen met de kop onder de voerbak. Meerdere zeugen stonden verkeerd om in de kraamkooi of dekstal, waardoor zij geen toegang hadden tot water en voer. Volgens de toezichthoudend dierenartsen zouden bij een bedrijf van deze omvang ongeveer zeven tot tien personen moeten werken. Bij een lagere arbeidsbezetting kunnen alleen de basale werkzaamheden plaatsvinden en is er minder of geen tijd voor noodzakelijke, maar minder spoedeisende werkzaamheden. Volgens de toezichthoudend dierenartsen is het onmogelijk om met de bestaande personele bezetting alle noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren. De minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat het aantal vakbekwame personen op de varkenshouderij van [naam 1] onvoldoende was. Partijen zijn het erover eens dat er in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 30 september 2019 gemiddeld 2.800 zeugen op het bedrijf aanwezig waren. [naam 1] had drie vaste werknemers en huurde daarnaast arbeid in voor drie dagen per week. Daarmee is niet voldaan aan de norm uit het Handboek KWIN-V 2016-2017, waaruit volgt dat de arbeidsbehoefte zonder biggenopfok en met eigen opfokzeugen 12,7 uur per 100 zeugen per week bedraagt. Omgerekend naar 2.800 zeugen bedraagt de arbeidsbehoefte dan 355,6 uur per week. Bij een werkweek van 40 uur zijn dat 8.89 arbeidskrachten. Ook als de vennoten veel meer uren werken, zoals [naam 1] stelt, wordt die norm niet gehaald.
7.12.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 13 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.12.2Artikel 2.24 van het Bhd schrijft voor dat drachtige zeugen en gelten zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten worden behandeld en dat zij voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig worden schoongemaakt.
7.12.3Uit het rapport van bevindingen 2 blijkt dat de toezichthouders in de kraamafdelingen hebben geconstateerd dat diverse gelten en zeugen er niet egaal schoon uitzagen. Op delen van de rug, achterhand en flanken zagen zij donkere verkleuringen op de huid, mede veroorzaakt door contact met mestresten. Uit de veterinaire verklaring blijkt dat de toezichthoudend dierenartsen zagen dat de zeugen die in de kraamstallen waren geplaatst voor het biggen onvoldoende gereinigd waren. De achterhand was vaak besmeurd met ingedroogde mest en in een enkel geval waren ook de flanken en schouders nog vervuild met ingedroogde mest. Volgens de toezichthoudend dierenartsen moet de hygiëne op het bedrijf sterk verbeterd worden en moeten zeugen worden gewassen voordat zij in de kraamhokken worden geplaatst.
Naar het oordeel van het College mocht de minister uitgaan van deze bevindingen. De stelling van [naam 1] dat alle zeugen worden schoongemaakt voordat ze gaan werpen en dat het niet te voorkomen is dat er soms mest ligt, is te algemeen om twijfel te zaaien ten aanzien van de concrete bevindingen van de toezichthouders.
7.13.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 14 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.13.2Artikel 1.28, tweede lid, van het Bhd schrijft voor dat een houder van dieren overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan handelt dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken.
7.13.3Uit het rapport van bevindingen 2 volgt dat de beschreven probleemaanpak in het bedrijfsgezondheidsplan qua hygiëne en management in het kraamhok niet afdoende is opgevolgd door [naam 1] . De minister mocht uitgaan van deze bevindingen. Uit het bedrijfsgezondheidsplan blijkt dat diarree bij pasgeboren biggen in het kraamhok aangepakt moet worden op verschillende onderdelen, waaronder Biosecurity. Het bedrijfsgezondheidsplan vermeldt: “Let op de hygiëne: eerst goed mechanisch reinigen, dan goed uitspuiten en ontsmetten!”. Uit het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring blijkt dat het bedrijfsgezondheidsplan op dit punt niet is opgevolgd. In de veterinaire verklaring wordt opgemerkt dat het belangrijk is dat het gedeelte direct achter de zeug, waar de biggen geboren worden, vrij is van mest. De toezichthoudend dierenartsen zagen bij veel zeugen in de kraamhokken dikke hopen mest liggen, van verse tot enkele dagen oude mest. Dit was zowel bij zeugen die net gebigd hadden of aan het afbiggen waren, als bij zeugen die binnen enkele dagen nog moesten afbiggen het geval. Het College volgt [naam 1] daarom niet in haar stelling dat de geconstateerde afwijkingen incidenten betreffen, waar zij op de dag van de controle nog niet aan toe was gekomen.
7.14.1Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat maatregel 15 niet was uitgevoerd. Daarom heeft de minister ook ten onrechte geconcludeerd dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd.
7.14.2Artikel 2.5, vierde lid, van het Bhd schrijft voor dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier.
7.14.3Uit het rapport van bevindingen 2 volgt dat de toezichthouders in de geïnspecteerde afdelingen van stal 7 hebben waargenomen dat het warm was. Zij zagen dat meerdere dieren een verhoogde ademhalingsfrequentie hadden. In de temperatuurkolom op de klimaatcomputers was bij verschillende afdelingen een foutmelding te zien, of een onwaarschijnlijke temperatuurwaarde, bijvoorbeeld -99,9 en 68,7 graden Celsius. Daarnaast waren in de temperatuurkolom op de klimaatcomputers temperaturen variërend van 24 tot 27 graden Celsius te zien. In de veterinaire verklaring staat omschreven dat het stalklimaat in de groepshuisvesting in stal 7 niet geschikt was voor het huisvesten van drachtige zeugen, omdat de temperatuur veel te hoog was. Er werden tekenen van hittestress gezien bij meerdere zeugen.
7.14.4Hoewel de minister heeft onderbouwd dat voor drachtige zeugen, afhankelijk van het stadium van de dracht, voor de temperatuur een bandbreedte geldt van 18 tot 22 graden Celsius, is het College van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de temperatuur in de stal tijdens de controle op 23 september 2019 schadelijk was voor de varkens. De toezichthouders hebben de temperatuur in de afdelingen zelf niet gemeten. Zij hebben weliswaar de temperatuurwaardes op de klimaatcomputers bekeken, maar omdat de klimaatcomputers ook onwaarschijnlijke temperaturen lieten zien, staat niet vast dat de getoonde waardes van 24 tot 27 graden Celsius juist waren. Gelet op de ondeugdelijke metingen van de klimaatcomputers, had het voor de hand gelegen dat de toezichthouders zelf temperatuurmetingen hadden verricht.