Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CG:2020:14

Centrale Grondkamer

Datum uitspraak
5 februari 2020
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
GP 11.799
Instantie
Centrale Grondkamer
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:318 BWArt. 7:322 lid 1 BWArt. 7:322 lid 2 BWArt. 7:325 lid 5 BWPachtprijzenbesluit 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging grondkamerbeschikking over pachtovereenkomst en pachtprijs na toetsing

In deze zaak hebben verpachters beroep ingesteld tegen de beschikking van de grondkamer Zuid die de pachtovereenkomst met pachters had gewijzigd en goedgekeurd. De pachtovereenkomst betreft cultuurgrond met een totale grootte van 2,16,50 hectare, met een oorspronkelijke pachtprijs van ƒ 5.000 uit 1999. De grondkamer heeft de pachtprijs aangepast naar € 608,34 per hectare vanaf 21 maart 2019 en de pachtduur vastgesteld op de wettelijke termijn van zes jaar.

Verpachters stelden onder meer dat de pachtkamer onjuist had gehandeld door de pachtovereenkomst vast te leggen zonder rekening te houden met de ambtshalve toetsing door de grondkamer, dat er sprake was van belangenverstrengeling omdat dezelfde voorzitter beide kamers leidde, en dat de pachtprijs onbillijk hoog was. De Centrale Grondkamer oordeelde dat pachtkamer en grondkamer verschillende taken hebben en dat de pachtkamer niet toetst aan het pachtprijzensysteem, dat dit een exclusieve taak van de grondkamer is.

Verder concludeerde de Centrale Grondkamer dat er geen sprake is van belangenverstrengeling omdat de functies van voorzitter in beide kamers gescheiden zijn en dat de gevolgde systematiek billijk is. Ook wees de Centrale Grondkamer het verzoek af om de pachttermijn te wijzigen of de pachtprijs te baseren op vrijwillige betalingen voorafgaand aan de toetsing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beschikking van de grondkamer bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Grondkamer bevestigt de beschikking van de grondkamer en wijst het hoger beroep van verpachters af.

Uitspraak

CENTRALE GRONDKAMER
Datum: 5 februari 2020
Dossiernummer: GP 11.799
Beschikking
in de zaak van:

1.[verpachter sub 1],

wonende te [woonplaats],
2.
[verpachter sub 2]
wonende te [woonplaats],
3.
[verpachter sub 3],
wonende te [woonplaats] [land],
4.
[verpachtster sub 4],
wonende te [woonplaats],
5.
[verpachtster sub 5],
wonende te [woonplaats],
vennoten van [naam v.o.f.] v.o.f.,
gevestigd te [vestigingsadres], [vestigingsplaats],
-hierna te noemen: verpachters-
gemachtigde: [verpachter sub 2], [adres], [woonplaats],
-tegen-

1.[pachter sub 1],

2.
[pachtster sub 2],
wonende te [adres], [woonplaats], gemeente [gemeente],
-hierna te noemen: pachters-
gemachtigde: [gemachtigde].
Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van 12 juli 2018 heeft de pachtkamer van de rechtbank Oost-Brabant schriftelijk vastgelegd de pachtovereenkomst tussen verpachters en pachters met betrekking tot de percelen cultuurgrond, gelegen te [plaats] aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], met een grootte van in totaal 2.16.50 ha, ingaande voorjaar 1999, tegen een pachtprijs bij aanvangsdatum van ƒ 5.000. De grondkamer Zuid heeft de pachtovereenkomst getoetst en bij beschikking van 14 december 2018 de overeenkomst gewijzigd wat betreft de jaarlijkse pachtprijs (onder meer tot een bedrag van € 608,34 per hectare of € 1.317,06 in totaal met ingang van 21 maart 2019) en de pachtduur. Die pachtduur is gesteld op de wettelijke duur van zes jaar. De aldus gewijzigde overeenkomst is goedgekeurd.
Het geding in hoger beroep
Verpachters hebben beroep aangetekend tegen die beschikking bij een beroepschrift dat door de griffie is ontvangen op 7 januari 2019. Daarna hebben zij een aanvullend beroepschrift gestuurd dat op 22 januari 2019 door de griffie is ontvangen. De pachters hebben verweer gevoerd. Hun verweerschrift is op 19 februari 2019 ontvangen door de griffie.
De grieven
Verpachters hebben bezwaar tegen de gang van zaken. De pachtkamer heeft de pachtovereenkomst vastgelegd en een pachtprijs van ƒ 5.000 voor het geheel vastgelegd. De pachtkamer behoort te weten dat die prijs bij ambtshalve toetsing gewijzigd zou worden en dan is het raar dat de pachtkamer die wel zo vastlegt. Bovendien heeft de pachtkamer tijdens de zitting een minnelijke pachtprijs van
€ 2.400 voorgesteld. Dat is veel hoger dan de maximaal toegestane pachtprijs. Tot slot is de voorzitter van de pachtkamer die de pachtovereenkomst heeft vastgelegd ook de voorzitter van de grondkamer Zuid die de bestreden beschikking heeft gegeven. Dat is een ontoelaatbare belangenverstrengeling. Al met al is de gevolgde methodiek in dit geval niet billijk. De verpachters wensen dat de eerste termijn van de pacht begint in 2019 en eindigt begin 2025 met een pachtprijs voor 2019 van € 1.497 met de jaarlijkse prijsbijstelling volgens het systeem op basis van dat bedrag.
De pachters bestrijden de grieven.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
1. In hun beroepschrift verliezen verpachters uit het oog dat de pachtkamer en de grondkamer verschillende taken hebben. De pachtkamer legt in een vastleggingsprocedure vast wat partijen zijn overeengekomen. Of hun afspraken ook zijn toegestaan volgens onder meer het pachtprijzensysteem toetst de pachtkamer niet. Dat is namelijk een exclusieve taak van de grondkamer.
2. De grondkamer heeft de tussen partijen overeengekomen pachtprijs van ƒ 5.000 per 1999 getoetst aan het Pachtprijzenbesluit 2007. Tegen de uitkomst van die toetsing hebben verpachters op zich geen (gemotiveerde) bezwaren. De Centrale Grondkamer ziet ook geen aanleiding om anders te oordelen over de toetsing van de jaarlijkse pachtprijs dan de grondkamer heeft gedaan.
3. De voorzitter van de pachtkamer is in dit geval inderdaad dezelfde persoon als de voorzitter van grondkamer Zuid. Er is geen (hiërarchische) verbinding tussen beide kamers, wat de verpachters wel veronderstellen. De twee functies zijn gescheiden. Van ontoelaatbare belangenverstrengeling is in elk geval geen sprake. De Centrale Grondkamer ziet verder geen redenen om de gevolgde systematiek in dit geval onbillijk te oordelen.
4. Het verzoek om de eerste termijn van de pacht in 2019 te laten beginnen en begin 2025 te laten eindigen is ongegrond. De wet regelt de ingangsdatum (in artikel 7:322 lid 1 BW Pro) en kent de mogelijkheid (in artikel 7:322 lid 2 BW Pro) dat de grondkamer bepaalt dat de duur op een eerder tijdstip ingaat, maar voor toepassing van die mogelijkheid hebben verpachters niets gesteld. Voor zover verpachters hebben bedoeld voor te stellen dat de Centrale Grondkamer de pachtovereenkomst per begin 2025 (bij voorbaat) beëindigt, geldt het volgende. Na de termijn van zes jaar eindigt de pachtovereenkomst niet. Die wordt van rechtswege telkens met zes jaren verlengd (artikel 7:325 lid 5 BW Pro).
5. Het verzoek de pachtprijs vast te stellen op basis van wat de pachter vrijwillig heeft betaald voorafgaand aan de toetsing door de grondkamer wijst de Centrale Grondkamer af. De tussen
partijen geldende pachtprijs is de pachtprijs zoals goedgekeurd door de grondkamer na toetsing van de pachtovereenkomst.
Slotsom
Het hoger beroep slaagt niet. De Centrale Grondkamer zal de beschikking van de grondkamer bevestigen.
Beslissing
De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
bevestigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven op 5 februari 2020 door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en
L.R. van Harinxma thoe Slooten en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en C.R.M. van Wijk- Francissen, in tegenwoordigheid van mr. M. Vriend als griffier.