ECLI:NL:CRVB:1987:AK2965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op militair invaliditeitspensioen van 100% vanaf 17 december 1976
Gedaagde, geboren in 1926, diende vanaf 1946 als militair in Nederlands-Indië en ontwikkelde gehoorproblemen en psychische klachten die verband hielden met zijn militaire dienst. In 1949 werd hem een invaliditeitspensioen toegekend van 10% wegens gehooraandoeningen, later levenslang toegekend zonder wijziging.
In 1976 verzocht gedaagde om verhoging van zijn invaliditeitspensioen. Na medisch onderzoek werd een invaliditeitspercentage van 60% vastgesteld, gebaseerd op 20% gehoorinvaliditeit en 40% psychische invaliditeit gerelateerd aan militaire dienst. De Minister van Defensie stelde dit percentage vast bij Koninklijk besluit van 1981.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de psychische invaliditeit van gedaagde in verergerend verband staat met zijn militaire dienst, maar dat de gehanteerde maatstaf van minimaal 50% invloed te streng was. De Raad stelde dat een duidelijk aanwezige factor voldoende is om verergerend verband aan te nemen. Gezien de medische gegevens en de grote rol van de militaire dienst in de psychische invaliditeit, waardeerde de Raad de psychische invaliditeit op 80% en samen met de gehoorinvaliditeit op 20% leidde dit tot een totaal van 100% invaliditeit vanaf 17 december 1976.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van het Ambtenarengerecht, maar op andere gronden, en bepaalde dat de Minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Gedaagde heeft vanaf 17 december 1976 recht op een militair invaliditeitspensioen van 100%.