ECLI:NL:CRVB:1997:AG8294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over aftrek UKW-uitkering op WW-uitkering wegens onjuiste wettelijke grondslag
Appellant, voormalig beroepsmilitair, ontving een uitkering ingevolge de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UKW) na functioneel leeftijdsontslag. Na het beëindigen van zijn dienstverband en ziekteperiode kreeg hij een WW-uitkering toegekend. Gedaagde bracht de UKW-uitkering in mindering op de WW-uitkering, stellende dat deze gelijkgesteld was aan een ouderdomspensioen. Appellant maakte bezwaar en ging in hoger beroep tegen deze aftrek.
De Raad overwoog dat de UKW-uitkering niet kan worden beschouwd als een ouderdomspensioen of daarmee gelijkgesteld, omdat het niet gaat om een in beginsel levenslange periodieke uitkering of een oudedagsvoorziening. De Raad verwierp het standpunt van gedaagde dat de UKW-uitkering vanwege de Regeling van 12 december 1991 als ouderdomspensioen moet worden gezien. Ook het argument dat de uitkering wordt toegekend wegens einde arbeidsleven werd afgewezen, omdat appellant op relatief jonge leeftijd (51 jaar) zijn militaire loopbaan beëindigde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit van 16 juni 1994 wegens onjuiste wettelijke grondslag en veroordeelde gedaagde in de proceskosten van appellant. Tevens werd bepaald dat het gestorte griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit om de UKW-uitkering in mindering te brengen op de WW-uitkering wordt vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag.