ECLI:NL:CRVB:2005:AU3927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mindering FUR-uitkering op WW-uitkering en eigendomsrecht
Appellant ontving een WW-uitkering die werd verminderd met een FUR-uitkering, een uitkering op grond van een regeling tot vervroegde uittreding. Hij maakte bezwaar tegen deze mindering en stelde dat de FUR-uitkering niet als zodanig mocht worden aangemerkt, dat het een inkomen uit loonderving betrof en dat de mindering een onrechtmatige inbreuk op zijn eigendomsrecht vormde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de FUR-uitkering onder de regeling Gelijkstelling viel en dus in mindering mocht worden gebracht op de WW-uitkering. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en stelde vast dat de FUR-regeling voldoet aan de criteria van een vervroegde uittredingsregeling. Ook het beroep op artikel 34, zesde lid, van de WW werd verworpen.
Ten aanzien van het eigendomsrecht oordeelde de Raad dat appellant geen gerechtvaardigde verwachting had dat de FUR-uitkering niet op de WW-uitkering in mindering zou worden gebracht, zodat er geen sprake was van een onrechtmatige inbreuk. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De mindering van de FUR-uitkering op de WW-uitkering is terecht en er is geen schending van het eigendomsrecht.