ECLI:NL:CRVB:1997:AZ5628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van niet-duurzame arbeidsinkomsten bij AAW-uitkering en rechtmatigheid van terugwerkende uitkeringskorting
De zaak betreft de vraag of de AAW-uitkering van een zelfstandig veehouder, die na verkoop van zijn veestapel inkomsten uit verhuur van melkquotum en land behaalt, terecht is stopgezet op grond van artikel 33 van Pro de AAW wegens niet-duurzame inkomsten uit arbeid.
De appellant, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, stelde dat de uitkering vanaf 1 augustus 1993 niet meer toekomt omdat de betrokkene feitelijk arbeid verrichtte en daarmee winst uit onderneming behaalde. De rechtbank vernietigde het besluit, stellende dat de inkomsten niet als arbeidsinkomsten konden worden aangemerkt omdat de betrokkene geen werkzaamheden meer verrichtte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de fiscale aangifte van winst uit onderneming doorslaggevend is en dat de betrokkene zelf de belangrijkste beslissingen nam omtrent verhuur, wat duidt op het verrichten van arbeid. De Raad verwierp het verweer dat de inkomsten als vermogensopbrengst moesten worden gezien. Tevens oordeelde de Raad dat de terugwerkende kracht van de uitkeringskorting niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad bevestigde de vernietiging van het bestreden besluit met verbeterde gronden en veroordeelde appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de uitkering terecht is stopgezet wegens niet-duurzame arbeidsinkomsten en veroordeelt appellant in de proceskosten.