ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- B.J. van der Net
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en recht op kinderbijslag bij gedoogdenstatus
De Sociale Verzekeringsbank had aan gedaagde medegedeeld dat zij vanaf 1 januari 1993 tot 1 april 1995 niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt en daarom geen recht had op kinderbijslag over die periode. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van gedaagde tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit. De Sociale Verzekeringsbank stelde hiertegen hoger beroep in.
De Raad beoordeelde of gedaagde op de peildata van de kwartalen, met name het vierde kwartaal van 1994 en het eerste kwartaal van 1995, als ingezetene kon worden beschouwd. Hierbij werd gekeken naar de mate van sociale, economische en juridische binding met Nederland. Hoewel gedaagde sinds haar aankomst in Nederland in 1993 diverse stappen had gezet, waaronder het volgen van een taalcursus en het inschrijven bij de gemeente, was er pas vanaf het tweede kwartaal van 1995 sprake van een voldoende juridische binding.
De Raad oordeelde dat het niet onrechtmatig is dat de Sociale Verzekeringsbank pas vanaf het moment van verlening van een verblijfsvergunning een definitieve juridische binding aanneemt. De gedaagde had een gedoogdenstatus aangeboden gekregen, maar deze niet aanvaard. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van gedaagde ongegrond, waarmee het besluit van de Sociale Verzekeringsbank werd bevestigd.
Uitkomst: Gedaagde wordt pas vanaf het tweede kwartaal van 1995 als ingezetene aangemerkt en heeft pas vanaf dat moment recht op kinderbijslag.