ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum recht op kinderbijslag bij terugwerkende verblijfsvergunning
Gedaagde, een Somalische vrouw, kreeg aanvankelijk een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die tot 12 maart 2001 liep. Na een afwijzing van kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal 2000, verleende de Staatssecretaris van Justitie haar op 1 november 2001 met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd vanaf 12 maart 2001.
Gedaagde stelde dat zij daardoor recht had op kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 2001, terwijl de Sociale verzekeringsbank dit vanaf het eerste kwartaal 2002 toewees. De rechtbank oordeelde dat de juridische band met Nederland reeds vanaf 12 maart 2001 bestond, maar de Raad vernietigt deze uitspraak.
De Raad stelt dat de juridische binding pas ontstaat op het moment dat de verblijfsvergunning daadwerkelijk is verleend en dat terugwerkende kracht geen invloed heeft op de onzekerheid over het verblijfsrecht. Hierdoor is het besluit van de Sociale verzekeringsbank om kinderbijslag vanaf 1 april 2002 toe te kennen juist.
De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat gedaagde vanaf 1 april 2002 als ingezetene kan worden aangemerkt voor de Algemene Kinderbijslagwet.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op kinderbijslag wordt toegekend vanaf 1 april 2002.