ECLI:NL:CRVB:1999:AA8761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en intrekking uitkering op medische en arbeidskundige gronden
Appellant betwistte de intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de AAW en WAO, die waren gebaseerd op een vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% vanaf 11 november 1995. De rechtbank vernietigde het eerdere besluit tot intrekking vanwege een te korte uitlooptermijn, maar liet de medische en arbeidskundige beoordeling onbesproken.
In hoger beroep stelde appellant dat hij op medische en arbeidskundige gronden voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moest worden beschouwd. De Raad oordeelde echter dat appellant geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd die het eerdere oordeel van de verzekeringsgeneeskundige konden weerleggen. Ook de verklaring van de huisarts bood geen concrete aanwijzingen voor een andere beoordeling.
Wat betreft de arbeidskundige beoordeling vond de Raad dat appellant als oproepkracht met een oproepbaarheid van 40 uur per week niet als parttimer kon worden beschouwd, zodat het niet nodig was aan te tonen dat de voltijdse functies ook in deeltijd konden worden vervuld. De Raad vond geen aanleiding het bestreden besluit van 24 juli 1996 te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.
Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang. De Raad bevestigde daarmee de intrekking van de uitkeringen met ingang van 11 november 1995 en wees de vordering van appellant af.
Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het intrekkingsbesluit van de uitkering werd ongegrond verklaard.