ECLI:NL:CRVB:2000:AA7137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- A. Beuker-Tilstra
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire straf wegens plichtsverzuim bij onrechtmatig ontvangen uitkering
Appellante, werkzaam bij de gemeente Breda, werd verdacht van jarenlang medewerking aan het onterecht ontvangen van een Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW)-uitkering door haar huisgenoot met wie zij een gezamenlijke huishouding voerde. Na een onderzoek door het Regionaal Instituut Bijzonder Onderzoek (RIBO) werd zij geschorst en uiteindelijk strafontslag verleend, onder voorwaarde dat het ontslag niet ten uitvoer zou worden gelegd bij afwezigheid van soortgelijk plichtsverzuim binnen vijf jaar.
De Raad overwoog dat appellante financieel voordeel genoot van de onrechtmatige situatie en redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de uitkering onterecht was. Van haar mocht worden verlangd dat zij actie ondernam, bijvoorbeeld door inlichtingen in te winnen bij de sociale dienst. Het nalaten hiervan kwalificeerde als plichtsverzuim volgens artikel 16:1:1 CAR Pro/BUWO.
Appellante voerde aan dat het eisen van sociale controle in strijd was met artikel 6 EVRM Pro en fundamentele vrijheden, maar de Raad oordeelde dat het plichtsverzuim betrekking had op het voortbestaan van een situatie waarin zij direct financieel voordeel genoot. Bovendien had zij op andere manieren het onrechtmatig ontvangen uitkeringsvoordeel kunnen beëindigen.
De Raad achtte de opgelegde disciplinaire maatregelen, waaronder het strafontslag met voorwaardelijke uitvoering en vermindering van vakantiedagen, passend en niet onevenredig. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het disciplinaire ontslag wegens plichtsverzuim van appellante.