ECLI:NL:CRVB:2000:AA7241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.C.F. Talman
- A. Beuker-Tilstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit disciplinaire straf ambtenaar
Appellant, werkzaam als hoofdagent bij de voormalige gemeentepolitie, kreeg in 1992 een disciplinaire straf opgelegd wegens plichtsverzuim. Hij werd buiten functie gesteld en kreeg een straf van plaatsing in een lagere rang opgelegd, met voorwaarden voor uitvoering en begeleiding. Appellant stelde dat hij hierdoor immateriële schade had geleden en vorderde vergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 19 september 1996 ongegrond, omdat noch het bestuursoptreden noch de schade van dien aard waren dat vergoeding redelijk was. De Raad onderschrijft deze overwegingen en wijst erop dat appellant na 1 januari 1993 elders werkzaam was en dat het bestuursorgaan adequaat had gehandeld, onder meer door een detachering mogelijk te maken.
De Raad oordeelt dat appellant niet in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 BW Pro en dat het verzoek om schadevergoeding terecht is afgewezen. Het rapport van de Rijkspsychologische Dienst werd als gedingstuk toegelaten. De Raad bevestigt het bestreden vonnis en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens het onrechtmatig besluit tot disciplinaire straf wordt afgewezen.