ECLI:NL:CRVB:2000:AE8532
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezagsverhouding bij imam en privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant is sinds 30 maart 1989 als imam aangesteld door een stichting en verrichtte diverse geestelijke en beheerstaken, waaronder het voorgaan in gebedsdiensten, het geven van preken en onderricht, en het beheer van de moskee. De stichting stelde dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking omdat een reële gezagsverhouding ontbrak.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat het bijzondere karakter van het geestelijk ambt slechts beperkte ruimte laat voor werkgeversgezag en dat de religieuze aard van de taken en de beperkte omvang van beheerstaken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het aannemen van een gezagsverhouding.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd op 20 januari 2000 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestaat.