ECLI:NL:RBROT:2019:2134
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding priester
Eiser was als priester werkzaam bij een Stichting op basis van een arbeidsovereenkomst die in 2006 werd omgezet naar onbepaalde tijd. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst vroeg eiser een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd omdat volgens verweerder geen gezagsverhouding bestond tussen eiser en de Stichting.
De rechtbank toetste of er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waarbij het ontbreken van een gezagsverhouding centraal stond. De arbeidsovereenkomsten bevatten geen bepalingen over aanwijzingsbevoegdheid of controle door de Stichting, en eiser kon dit ook niet aannemelijk maken. De rechtbank concludeerde dat het bijzondere karakter van het geestelijk ambt slechts beperkte ruimte biedt voor werkgeversgezag en dat onvoldoende duidelijke en controleerbare aanknopingspunten aanwezig waren om een gezagsverhouding aan te nemen.
Ook eerdere uitspraken van de kantonrechter en het gerechtshof gaven geen oordeel over het bestaan van een arbeidsovereenkomst in deze zin. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat eiser geen werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW, waardoor de WW-uitkering terecht werd geweigerd.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiser geen werknemer was in de zin van de WW en wijst het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering af.