ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking AAW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1991 arbeidsongeschikt is, kreeg aanvankelijk een AAW-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Gedaagde, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), trok deze uitkering per 1 januari 1994 in op grond van een nieuwe beoordeling dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit in 1995 wegens een onjuiste arbeidskundige onderbouwing.
Na een hernieuwd arbeidskundig onderzoek trok het Lisv de uitkering opnieuw in met een onderbouwing die de rechtbank in 1997 bevestigde. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld en dat de resterende verdiencapaciteit niet klopte gezien zijn medische beperkingen en opleidingsniveau.
De Raad oordeelde dat het medisch aspect niet meer aan de orde kon komen en dat de arbeidskundige beoordeling de kern van het geschil vormde. De Raad stelde vast dat de aanname over de omvang van de werkzaamheden van appellants echtgenote onjuist was, waardoor het maatmaninkomen te laag was vastgesteld. Dit leidde tot een onderschatting van de arbeidsongeschiktheid. Daarom werd het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Raad veroordeelde het Lisv tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de uitkering vernietigd.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de AAW-uitkering wordt vernietigd en het Lisv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.