ECLI:NL:CRVB:2001:AB1776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- A. Beuker-Tilstra
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit vervallen verklaring uitkering wegens onjuiste opgave inkomsten
Appellant, voormalig ambtenaar, kreeg een uitkering toegekend voor de periode 1993-1996. Hij had over 1995 neveninkomsten niet correct opgegeven op maandelijkse informatieformulieren, wat leidde tot een besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken om zijn uitkering over mei tot en met augustus 1995 gedeeltelijk te laten vervallen en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het beleid van gedaagde niet onaanvaardbaar was. Appellant voerde aan dat hij niet de intentie had om te benadelen en dat hij zijn inkomsten achteraf wilde opgeven via jaarstaten, zoals eerder gebeurde. Ook stelde hij dat de sanctie onevenredig was ten opzichte van het benadelingsbedrag.
De Raad oordeelde dat het beleid van gedaagde destijds willekeurig was omdat de hoogte van de sanctie alleen afhing van de duur van de benadelingsperiode en niet van de omvang van het benadelingsbedrag. Dit leidde tot disproportionele sancties. De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen, waarbij rekening wordt gehouden met de mate van verwijtbaarheid en de omvang van de benadeling.
Daarnaast veroordeelde de Raad de Staat tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot gedeeltelijke vervallen verklaring van de uitkering wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.