ECLI:NL:CRVB:2001:AB2259

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/121 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling geneeskundige verzorging politie 1997Art. 14 Regeling geneeskundige verzorging politie 1997Art. 42 Regeling geneeskundige verzorging politie 1997Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vergoeding psychodiagnostisch onderzoek dyslexie als ziektekosten onder Regeling geneeskundige verzorging politie

Appellant vordert vergoeding van de kosten van een psychodiagnostisch onderzoek dat bij zijn zoon is uitgevoerd vanwege dyslexie. Gedaagde, de Commissie belast met de algemene leiding en het beheer van de Dienst geneeskundige verzorging politie, weigert deze kosten te vergoeden omdat het onderzoek niet als ziektekosten in de zin van de Regeling geneeskundige verzorging politie 1997 kan worden aangemerkt.

De Raad stelt vast dat artikel 1 van Pro de Regeling een begripsbepaling is en geen dwingende weigeringsgrond bevat. Hoewel het onderzoek is verricht na verwijzing door een huisarts, betreft het geen geneeskundig onderzoek maar een diagnostisch onderzoek gericht op leerproblemen en ondersteuning op school. Het onderzoek bestond uit testen en opdrachten en leidde niet tot medische behandeling.

De Raad overweegt dat ook het advies van de Gezondheidsraad om dyslexieonderzoek onder de gezondheidszorg te brengen, niet tot een ander oordeel leidt omdat dit advies niet is opgevolgd door de regering. Bovendien volgt gedaagde het beleid van het Ziekenfonds, dat dergelijke kosten niet vergoedt. Er is geen sprake van onbillijkheden van overwegende aard. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kosten van het psychodiagnostisch onderzoek niet als ziektekosten worden vergoed.

Uitspraak

99/121 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], appellant,
en
de Commissie belast met de algemene leiding en het beheer van de Dienst geneeskundige verzorging politie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 14 december 1998 onder nummer 97/2584 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 februari 2001. Appellant en zijn echtgenote zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E. Zuidgeest-Solleveld, werkzaam bij de Algemeen Christelijke Politiebond en A.C. Paternotte, werkzaam bij de vereniging voor ontwikkelings-, gedrags- en leerproblemen Balans te Bilthoven.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T.J.W.M. Gallée, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad met het volgende.
In verband met leerproblemen is appellants zoon onderworpen aan een psychodiagnostisch onderzoek door een orthopedagoog-psycholoog bij de Praktijk voor Leer- en Gedragsproblemen te Utrecht. Daarbij is bij appellants zoon de diagnose dyslexie gesteld. De kosten van dit onderzoek heeft appellant gedeclareerd bij gedaagde.
Gedaagde heeft het verzoek om vergoeding van genoemde kosten afgewezen en dit besluit, na gemaakt bezwaar en advies van haar medisch adviseur, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 1 juli 1997, op grond van de overweging dat de gemaakte kosten niet als ziektekosten kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking dienen te worden gebracht op grond van de hier van toepassing zijnde Regeling geneeskundige verzorging politie 1997 (hierna: de Regeling).
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek niet is uitgevoerd door een van de hulpverleners genoemd in het limitatief bedoelde artikel 1 van Pro de Regeling. Naar het oordeel van de Raad moet artikel 1 worden Pro opgevat als een begripsbepaling, waarin is aangegeven wat in de Regeling onder verschillende begrippen - waaronder een aantal soorten hulpverleners - moet worden verstaan. De Raad wijst daarvoor naar de aanhef van het artikel waarin is bepaald dat “in deze regeling wordt verstaan onder”. In artikel 1 van Pro de Regeling is dan ook niet een dwingende weigeringsgrond opgenomen.
Appellant meent dat vergoeding plaats kan vinden op basis van artikel 14 van Pro de Regeling, waarbij erop is gewezen dat het in geding zijnde onderzoek is verricht na verwijzing door de huisarts van appellant.
Ingevolge het eerste lid van artikel 14 van Pro de Regeling worden voor 100% vergoed de kosten voor diagnostische verrichtingen, die verband houden met geneeskundige onderzoeken, indien deze althans door huisarts of specialist zijn voorgeschreven en in omvang beperkt zijn tot die verrichtingen die in hun kring gebruikelijk zijn.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat appellants zoon op school leermoeilijkheden ondervond en dat het onderzoek heeft plaatsgevonden in verband met de overgang van de zoon naar de brugklas van het voortgezet onderwijs, teneinde na te gaan op welke wijze alsdan vanwege school hulp geboden kon worden. Om voor remedial teaching dan wel andere specifieke faciliteiten in de brugklas in aanmerking te komen diende appellants zoon te beschikken over een zogeheten dyslexieverklaring, welke is afgegeven door voormeld instituut. De uitkomsten van het onderzoek hebben niet geresulteerd in andere vormen van hulpverlening dan die bij het leren op school. Het onderzoek heeft onder meer bestaan uit het uitvoeren van testen en opdrachten en kan uit dien hoofde niet als medisch van aard worden aangemerkt. Ook overigens ziet de Raad daarvoor geen aanknopingspunten. Dat verwijzing door de huisarts heeft plaatsgevonden kan geen rol spelen, nu bedoeld instituut ook zonder tussenkomst van een arts kan worden benaderd en ingeschakeld. Dat dyslexie wordt toegeschreven aan een neurologische conditie heeft niet tot gevolg dat een onderzoek naar de gevolgen van dyslexie in het dagelijks leven en hoe daaraan het hoofd te bieden aangemerkt moet worden als een geneeskundig onderzoek. Ook het door een commissie van de Gezondheidsraad aan de regering aangeboden advies, waarin wordt gepleit voor het onderbrengen van het onderzoek naar en de behandeling van dyslexie bij de gezondheidszorg in plaats van bij het onderwijs, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Niet gebleken is dat dit advies door nadere besluitvorming van de betrokken bewindslieden is gevolgd.
Het vorenstaande voert de Raad tot de slotsom dat gedaagde terecht heeft geoordeeld dat de in geding zijnde kosten niet op grond van artikel 14 van Pro de Regeling voor vergoeding in aanmerking komen.
Ingevolge artikel 42 van Pro de Regeling is gedaagde bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich bij toepassing van de Regeling mochten voordoen.
Bij de toepassing van deze bepaling voert gedaagde een beleid, neergelegd in de brochure “nuttige wenken”, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de vergoedingen die het Ziekenfonds verleent. Naar door appellant is erkend vergoedt het Ziekenfonds de kosten van een onderzoek als hier in geding niet, zodat ook gedaagde zich niet genoopt ziet deze te vergoeden.
De Raad acht deze opstelling van gedaagde niet onjuist en overweegt dat ook overigens niet is gebleken van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 42 voornoemd Pro.
Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellant niet en zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
Voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen grond.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en
mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2001.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) M. Pijper.
HD
3.03
Q