ECLI:NL:CRVB:2001:AB3241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- A.F.M. Brenninkmeijer
- Rechtspraak.nl
Nietigheid mondelinge arbeidsovereenkomst kapitein wegens schending schriftelijkheidsvereiste Wetboek van Koophandel
Appellant, een voormalig kapitein, voerde werkzaamheden uit voor [X.] B.V. gedurende circa 12 weken per jaar. Gedaagde stelde dat appellant als werknemer onder de sociale verzekeringswetten viel, gebaseerd op artikel 3 van Pro deze wetten. De rechtbank bevestigde dit, ondanks dat de arbeidsovereenkomst mondeling was gesloten en formeel nietig volgens artikel 376 van Pro het Wetboek van Koophandel, dat schriftelijke vastlegging vereist voor arbeidsovereenkomsten tussen kapitein en reder.
In hoger beroep stelde appellant dat hij zelfstandig ondernemer was en dat de mondelinge overeenkomst niet als arbeidsovereenkomst kon gelden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het dwingende schriftelijkheidsvereiste uit het Wetboek van Koophandel prevaleert boven de sociale verzekeringswetten. Hierdoor kan de mondelinge overeenkomst niet als geldige arbeidsovereenkomst worden beschouwd.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd bevestigd dat appellant niet als werknemer onder de sociale verzekeringswetten valt voor de betreffende werkzaamheden.
Uitkomst: De mondeling gesloten arbeidsovereenkomst tussen kapitein en reder is nietig wegens het ontbreken van het schriftelijkheidsvereiste, waardoor appellant niet als werknemer onder de sociale verzekeringswetten valt.