ECLI:NL:PHR:2011:BR6384
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bescherming van schepelingen bij ontbreken schriftelijke arbeidsovereenkomst en toepassing Ziektewet
Belanghebbende verrichtte werkzaamheden aan boord van een Nederlands schip zonder schriftelijke arbeidsovereenkomst met de zeewerkgever. Het UWV wees zijn aanvraag voor een Ziektewetuitkering af wegens het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst. De Rechtbank en de Centrale Raad van Beroep bevestigden dit standpunt, stellende dat het Wetboek van Koophandel (WvK) dwingend voorschrijft dat arbeidsovereenkomsten met schepelingen schriftelijk moeten worden aangegaan, op straffe van nietigheid.
De Hoge Raad bekeek de parlementaire geschiedenis en internationale verdragen, waaronder het IAO-verdrag 22 en het Maritiem arbeidsverdrag (MAV), en concludeerde dat het schriftelijkheidsvereiste vooral bedoeld is ter bescherming van de schepeling. De sanctie van nietigheid mag niet leiden tot onrechtvaardige uitsluiting van sociale zekerheidsrechten. De Hoge Raad stelde dat de Centrale Raad van Beroep artikel 398 WvK Pro te strikt had uitgelegd en dat het UWV zich niet op het schriftelijkheidsvereiste mag beroepen als dat leidt tot uitsluiting van de bescherming van de schepeling.
De Hoge Raad vernietigde de eerdere uitspraken en verwees de zaak terug naar de Centrale Raad van Beroep voor hernieuwde beoordeling, waarbij ook de overige voorwaarden voor toekenning van ziekengeld moeten worden onderzocht. Hiermee wordt aangesloten bij de beoogde modernisering van het zeerecht en de implementatie van het MAV, die de sanctie van nietigheid wil vervangen door vernietigbaarheid om de rechtspositie van zeevarenden te verbeteren.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraken worden vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.