ECLI:NL:CRVB:2001:AD4642
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling winst uit verkoop mestquotum als inkomsten uit arbeid in AAW
Appellant, een voormalig melkveehouder en varkenshouder, ontving een AAW-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In 1994 behaalde hij een winst uit de verkoop van een mestquotum. Gedaagde gebruikte LEI-cijfers om het maatmaninkomen te bepalen en stelde dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% was, waardoor de uitkering werd stopgezet.
Appellant voerde aan dat de winst uit de verkoop van het mestquotum stakingswinst was in de zin van artikel 57 Wet Pro IB 1964 en daarom niet als inkomsten uit arbeid mocht worden aangemerkt. Gedaagde betoogde dat geen sprake was van staking van de onderneming, maar van een langdurige inkrimping en verschuiving van bedrijfsactiviteiten.
De Raad concludeerde dat de winst niet als stakingswinst kan worden beschouwd, mede omdat de fiscus deze winst niet als zodanig heeft aangemerkt en dat het bijzondere tarief van artikel 57 Wet Pro IB 1964 ook van toepassing is zonder staking van de onderneming. De winst is daarom terecht als inkomsten uit arbeid aangemerkt en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De winst uit de verkoop van het mestquotum wordt terecht als inkomsten uit arbeid aangemerkt en niet als stakingswinst.