ECLI:NL:CRVB:2002:AE0501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het besluit tot in aanmerking nemen desinvesteringsbijtelling bij vaststelling arbeidsinkomen AAW
Appellant, een voormalig zelfstandig veehouder, maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) om zijn arbeidsinkomen over 1996 te berekenen inclusief een bedrag aan desinvesteringsbijtelling, in plaats van dit bedrag als stakingswinst te beschouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de fiscale kwalificatie van een bedrag van circa €5.873,73 als desinvesteringsbijtelling in plaats van stakingswinst. Appellant stelde dat dit bedrag buiten beschouwing moest blijven bij de berekening van het inkomen voor de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De Raad oordeelde echter dat de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een duidelijk onderscheid maakt tussen stakingswinst en desinvesteringsbijtelling, waarbij de laatste een correctie betreft op eerder genoten investeringsaftrek en niet direct verband houdt met het staken van een onderneming.
De Raad benadrukte dat de fiscale keuze van appellant doorslaggevend is en dat de bijtelling begrijpelijk als zodanig in de belastingaangifte is opgenomen. Gelet op jurisprudentie en de specifieke bepalingen van de AAW, is het bedrag terecht meegenomen bij de vaststelling van het inkomen uit arbeid. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd en de proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de desinvesteringsbijtelling terecht is meegenomen bij de vaststelling van het arbeidsinkomen voor de AAW-uitkering.