ECLI:NL:CRVB:2001:AD7127
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- T. Hoogenboom
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering onverschuldigd wachtgeld en vergoeding kosten rechtsbijstand
Appellante ontving vanaf 1 juli 1995 tot 1 januari 1997 wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, nadat haar invaliditeitspensioen was verlaagd. Na een geslaagd beroep werd haar invaliditeitspensioen met terugwerkende kracht vastgesteld op 80% of meer, waardoor het recht op wachtgeld kwam te vervallen. Gedaagde vorderde het ten onrechte betaalde wachtgeld terug en wees een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand af.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onduidelijkheid over het terug te vorderen bedrag, waarna gedaagde een nieuw besluit nam met specifieke bedragen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet redelijkerwijs kon weten dat het wachtgeld onverschuldigd was en betwistte de hoogte van de terugvordering.
De Raad oordeelde dat gedaagde bevoegd was tot terugvordering binnen twee jaar na uitbetaling, ook bij terugwerkende kracht van gewijzigde omstandigheden. De Raad bevestigde dat gedaagde bij het besluit op bezwaar ook kon beslissen over de vergoeding van rechtsbijstandskosten. De Raad stelde het terug te vorderen bedrag vast op f 10.804,98 netto wachtgeld en maximaal f 5.667,64 aan loonheffing, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De terugvordering van wachtgeld wordt bevestigd met een vastgesteld bedrag, en appellante krijgt vergoeding van griffierecht en proceskosten.