ECLI:NL:CRVB:2001:AD8032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkstelling hoofdaannemer bij achterstallige vakantiebijslag in WW-uitkering
In deze zaak oordeelt de Centrale Raad van Beroep over geschillen tussen meerdere appellanten en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) omtrent de toepassing van maatregelen op grond van de Werkloosheidswet (WW) bij het niet tijdig aansprakelijk stellen van hoofdaannemers voor achterstallige vakantiebijslag.
De rechtbanken hadden eerder geoordeeld dat het nalaten van aansprakelijkstelling een benadelingshandeling vormt, waarop het Lisv een maatregel kan baseren. De appellanten voerden onder meer strijdigheid met de Europese richtlijn 80/987/EEG en het gelijkheidsbeginsel aan, alsmede onduidelijkheid over toepasselijke CAO-periodes.
De Raad bevestigt dat de verplichting tot aansprakelijkstelling van hoofdaannemers op grond van de CAO Bouwbedrijf een effectieve mogelijkheid biedt en dat het nalaten daarvan een benadelingshandeling is. Wel vernietigt de Raad de besluiten voor twee appellanten vanwege onjuiste toepassing van termijnen en onduidelijkheid over de geldigheid van de CAO in bepaalde periodes, en beveelt het Lisv nieuwe besluiten te nemen.
Verder oordeelt de Raad dat weigering van uitkering wegens niet tijdig aansprakelijk stellen niet in strijd is met de richtlijn 80/987/EEG, omdat deze slechts onvervulde aanspraken door insolventie beschermt. De Raad veroordeelt het Lisv tot vergoeding van proceskosten aan de appellanten.
Uitkomst: Beslissing tot vernietiging van besluiten voor twee appellanten met opdracht tot nieuwe besluiten en bevestiging van besluiten voor twee anderen, met toewijzing van proceskosten.