ECLI:NL:CRVB:2001:AD8133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis en kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht
Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van zijn werkzaamheden via een uitzendbureau, maar gedaagde heeft deze geweigerd omdat appellant niet voldeed aan de referte-eis van minimaal 26 gewerkte weken in de referteperiode van 39 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij meer dan 25 weken had gewerkt, onder meer bij andere werkgevers, maar heeft geen bewijs aangeleverd ter onderbouwing van deze stelling. Zowel bij de hoorzitting van gedaagde, de rechtbank als de Raad is appellant niet verschenen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat appellant terecht geen recht heeft op WW-uitkering en stelt dat het ontbreken van bewijs en het niet verschijnen bij zittingen duidt op kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarom wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
De Raad baseert zich op de Werkloosheidswet en de Algemene wet bestuursrecht en wijst het beroep af. De proceskosten worden vastgesteld op 58 gulden voor reiskosten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het voldoen aan de referte-eis en het adequaat onderbouwen van standpunten in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering en veroordeelt appellant in de proceskosten wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.