ECLI:NL:CRVB:2001:AD8573
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting weduwenpensioen op AOW-toeslag van pensioengerechtigde
Verzoeker ontvangt sinds 1 maart 1998 een ouderdomspensioen en toeslag op grond van de AOW. Zijn partner ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering en vanaf 1 juli 1999 een weduwenpensioen van het Philips Pensioenfonds, toegekend wegens het overlijden van haar ex-partner. De Sociale Verzekeringsbank heeft bij besluit van 10 april 2001 de toeslag van verzoeker beëindigd omdat het weduwenpensioen op de toeslag in mindering wordt gebracht. Dit besluit is gehandhaafd bij het bezwaarbesluit van 10 juli 2001 en bevestigd door de rechtbank te Leeuwarden.
Verzoeker stelt dat de AOW geen grondslag biedt voor het in mindering brengen van het weduwenpensioen, omdat dit pensioen niet voortkomt uit arbeid van zijn partner zelf, maar van haar ex-partner. De Raad overweegt dat artikel 10, tweede lid, van de AOW bepaalt dat inkomen van de echtgenoot uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven op de toeslag wordt gekort, zonder dat vereist is dat die arbeid door de partner zelf is verricht. De wetsgeschiedenis ondersteunt geen andere uitleg.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Omdat de zaak in de hoofdzaak wordt beslist, is geen voorlopige voorziening noodzakelijk. De uitspraak is gedaan door de president van de Centrale Raad van Beroep op 27 december 2001.
Uitkomst: Het weduwenpensioen van de partner mag worden gekort op de toeslag van verzoeker; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.