ECLI:NL:CRVB:2008:BD0816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van korting AOW-toeslag bij weduwenpensioen als inkomen uit arbeid
Appellant maakte bezwaar tegen de korting op zijn AOW-toeslag omdat het weduwenpensioen van zijn partner, dat voortvloeit uit de arbeid van haar overleden echtgenoot, werd meegeteld als inkomen uit arbeid. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit bezwaar af, en de rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat alleen het inkomen uit eigen arbeid van de partner in aanmerking mag worden genomen en dat het onderscheid tussen inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogen discriminerend is. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de wetstekst en wetsgeschiedenis duidelijk maken dat het gaat om het inkomen van de partner uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven, en dat het weduwenpensioen als inkomen uit arbeid mag worden aangemerkt.
Verder oordeelde de Raad dat het onderscheid tussen pensioengerechtigden met een partner die inkomen uit arbeid heeft en zij met een partner met inkomen uit vermogen niet in strijd is met het non-discriminatiebeginsel uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). De toeslagregeling heeft een tijdelijk karakter en het onderscheid is gerechtvaardigd vanuit inkomenspolitieke overwegingen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De korting op de AOW-toeslag is terecht toegepast waarbij het weduwenpensioen als inkomen uit arbeid wordt meegeteld.