ECLI:NL:CRVB:2001:AE8607
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging premieplicht wegens dienstbetrekking ondanks betwisting gezagsverhouding
Appellante, een landelijk opererende onderneming die klussen uitvoert voor particulieren en organisaties, betwistte de premieplicht voor een vakbedrijf ([betrokkene]) dat werkzaamheden verrichtte via haar. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen had vastgesteld dat [betrokkene] verplicht verzekerd was ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, en dat appellante premies moest afdragen.
De rechtbank oordeelde dat ondanks voorwaarden in de samenwerkingsovereenkomst die op een gezagsverhouding wezen, deze feitelijk ontbrak, zodat geen dienstbetrekking bestond. De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat de subsidiaire grondslag van tussenkomst van toepassing was. Dit houdt in dat [betrokkene] arbeid verrichtte voor een derde via appellante, die de loonbetalingsverplichting draagt.
De Raad concludeerde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat er een aannemingsovereenkomst tussen [betrokkene] en de opdrachtgever tot stand kwam, maar dat de overeenkomst een dienstverleningsovereenkomst tussen appellante en opdrachtgever betreft. Hierdoor is de premieplicht terecht opgelegd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een beroep op artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af. Daarmee faalde het hoger beroep van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de premieplicht voor appellante wordt bevestigd.