ECLI:NL:CRVB:2001:ZF4260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Vergoeding wettelijke rente wegens onterechte pensioeninhouding door overheid
Appellant had bezwaar gemaakt tegen inhouding van pensioenpremies op zijn salaris, welke inhoudingen onterecht bleken op grond van een overeenkomst met de voormalige gemeentepolitie. De rechtbank had aanvankelijk het besluit tot inhouding vernietigd, maar weigerde later schadevergoeding toe te kennen omdat appellant de premies zelf had moeten betalen aan een andere instantie.
Appellant stelde dat hij wel degelijk schade had geleden en vorderde wettelijke rente over de periode van onterechte inhouding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de vordering tot vergoeding van wettelijke rente had afgewezen, omdat de onrechtmatigheid en schuld van de overheid vaststonden.
De Raad bevestigde dat op grond van artikel 6:119 BW Pro wettelijke rente verschuldigd is over het bedrag vanaf de maand volgend op de maand van inhouding tot volledige betaling. De zaak werd zonder terugverwijzing afgedaan en de Staat werd veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente en vergoeding van het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over onterecht ingehouden pensioenpremies aan appellant.