ECLI:NL:CRVB:2002:AD9656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkstelling voor premieschuld onder toepassing artikel 16b Coördinatiewet Sociale Verzekering
Appellante is aansprakelijk gesteld voor een premieschuld van het gefailleerde bedrijf VBO over de jaren 1987 en 1988, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de aansprakelijkstelling heeft gebaseerd op artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De rechtbank had eerder het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en onduidelijkheid over het verband tussen de premieschuld en de bij appellante werkzame werknemers van VBO.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat de rechtbank terecht het beroep op artikel 6 EVRM Pro heeft verworpen, omdat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan het bestuursorgaan kon worden toegerekend. Tevens is bevestigd dat eerdere grieven die reeds onherroepelijk zijn behandeld niet opnieuw aan de orde kunnen komen, en dat de premieschuld naar evenredigheid is verdeeld.
De Raad concludeert dat de motiveringsklachten en het betoog over het ontbreken van een verband tussen de premieschuld en de werknemers niet slagen. Ook is geen sprake van schending van redelijke termijn of andere procesrechtelijke tekortkomingen die de aansprakelijkstelling zouden kunnen vernietigen. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkstelling van appellante voor een deel van de premieschuld van VBO.