ECLI:NL:CRVB:2002:AD9656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor premieschuld van een gefailleerd bedrijf en de toepassing van artikel 16b CSV
In deze zaak gaat het om de aansprakelijkheid van [X.] B.V. voor de premieschuld van het gefailleerde bedrijf V.B.O. De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep van [X.] B.V. tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarin de grieven van appellante werden afgewezen. De rechtbank had geoordeeld dat het bestreden besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) niet deugdelijk was gemotiveerd, omdat het was gebaseerd op gegevens uit een strafrechtelijk onderzoek die pas later in de procedure zijn ingebracht. De Raad overweegt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aansprakelijkheid van appellante voor de premieschuld van V.B.O. niet kan worden ontkend, aangezien V.B.O. in onderaanneming werkzaamheden voor appellante heeft verricht en er geen deugdelijke administratie was. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en stelt dat de grief van appellante inzake schending van artikel 6 EVRM faalt. De Raad concludeert dat de rechtbank zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellante aangevoerde gronden, die reeds onherroepelijk waren beslist, in de beroepsprocedure niet meer inhoudelijk aan de orde konden komen. De Raad bevestigt de aansprakelijkstelling van appellante voor de premieschuld van V.B.O. en oordeelt dat er geen termen zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.