ECLI:NL:CRVB:2006:AX8930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor premies door kennelijk onbehoorlijk bestuur en sterfhuisconstructie
In deze zaak stond de vraag centraal of betrokkene als bestuurder van een B.V. aansprakelijk kon worden gesteld voor de door die B.V. verschuldigde premies. De B.V. was failliet verklaard en de premieschulden betroffen ook perioden vóór en tijdens het bestuur van betrokkene. De Raad toetste het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank die de aansprakelijkstelling deels vernietigde.
De Raad stelde vast dat de melding van betalingsonmacht pas op 22 april 2002 had plaatsgevonden en dat in de drie jaren daarvoor kennelijk onbehoorlijk bestuur door betrokkene had plaatsgevonden. Dit kennelijk onbehoorlijk bestuur hield verband met een sterfhuisconstructie waarbij de moedermaatschappij de activiteiten van de B.V. overnam zonder vergoeding, wat de Raad kwalificeerde als bewust misbruik van de B.V. als sterfhuis.
De Raad oordeelde dat betrokkene ook aansprakelijk was voor premieschulden die dateren van vóór zijn aantreden als bestuurder, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat er voldoende middelen waren om die schulden te voldoen of dat maatregelen mogelijk waren om dat alsnog te doen. De eerdere beperking door de rechtbank dat de aansprakelijkheid pas inging bij de eerste daad van onbehoorlijk bestuur werd verworpen.
Uiteindelijk vernietigde de Raad de aangevallen uitspraak voor zover die de aansprakelijkheid van betrokkene beperkte en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Daarmee bleef de hoofdelijk aansprakelijkheid van betrokkene voor de premieschulden in stand.
Uitkomst: De hoofdelijk aansprakelijkheid van betrokkene voor de premieschulden wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.